KOPP-blog: het belang van samen

PAS OP! JE BENT GEWAARSCHUWD!
In mijn praktijk zou je aangestoken kunnen worden met verkoudheid. Of met permissie, ja zelfs met mededogen. Je zou een griepje kunnen oplopen. Of – wellicht – een warm gevoel. Je zou COVID19 kunnen meenemen. Ik wijs geen ongevaccineerden de deur. Maar de kans is veel groter dat je inzicht meeneemt, en hoop, en dat je nieuwe ruimte ervaart omdat je je eindelijk gehoord voelt. 
Mijn hond is een heel goede assistent. Voor klanten die dat willen tenminste, en vooral voor wie het mens-menscontact spannend is. Als je binnenkomt en gaat zitten met alle sores en stress van de dag, van de reis of van het contact maken met mij (brrr.. een ander mens), komt hij bij je staan co-reguleren. Als jij je daarvoor openstelt, brengt hij jouw zenuwstelsel in een vloek en een zucht weer naar standje russsssst. 

Co-reguleren en zenuwstelsel, daar wilde ik het vandaag eens over hebben. Of met meer dagelijkse woorden: samenzijn en verbinden en de aansturing van activiteit en rust.
Ons zenuwstelsel is verantwoordelijk voor de mate van activering van ons lijf en brein. Het kan ons lichaam dus activeren, als we ’s ochtends uit ons bed moeten komen bijvoorbeeld, en nog wat verder activeren, als we gaan sporten bijvoorbeeld, en nog wat verder activeren, als we moeten wegspringen voor een aanrazende kleuter op een driewieler bijvoorbeeld. Zo kan het ook in groeiende mate ons brein activeren, als we bij het opstaan de krant gaan lezen, als we een discussie hebben met één van onze kinderen of als onze vader of moeder ineens onaangekondigd voor de deur drama staat te maken. 
Gelukkig zijn er niet alleen activerende zenuwen (waar je soms de zenuwen van krijgt), maar is er ook een kalmerend deel. Het deactiverende deel van je zenuwstelsel zorgt er – als het goed werkt tenminste – voor dat je lichaam achter je bureau kan stilzitten, kan ontspannen met een boekje en ’s nachts kan slapen. Dat je brein kan ontspannen met een Netflixserie, kan suffen en kan uitwapperen (dromen). 
Dit zijn de ‘normale’ staten van zijn van het zenuwstelsel, in het gewone leven, wanneer er geen gevaar dreigt. Maar ja, zo is het leven niet altijd. Daarom zit er nóg een stand op het zenuwstelsel, en dat is standje gevaar. Standje gevaar zorgt voor hetzij extreme activering (vechten of vluchten) hetzij extreme deactivering (bevriezen). Allemaal functioneel voor onze overleving en het voortbestaan van onze soort. 
Als al deze staten elkaar soepel kunnen afwisselen, hebben we een gezond zenuwstelsel.

Overweldigende ervaringen in de kindertijd maken dat het zenuwstelsel in een kramp raakt en zijn soepelheid verliest, en dat blijft zo totdat je daar iets aan doet. Als je er niets aan doet, is dat effect dus blijvend. Het in een kramp raken van je zenuwstelsel maakt dat het veel vaker dan nodig op één van de gevaarstanden blijft staan, of die standen afwisselt, terwijl er in het hier en nu geen gevaar meer dreigt. Het zenuwstelsel gedraagt zich alsof het gevaar van vroeger nog niet voorbij is. Je bent nog niet getroost of gerustgesteld na een overweldigende situatie. En dat betekent dat je vaak alertheid, stress, woede, vluchtgedrag of apathisch gedrag vertoont terwijl er in het hier en nu niet zoveel aan de hand is. KOPP-klachten dus. Je kan het ook gewoon ‘trauma’ noemen.

Het zenuwstelsel moet dan loskomen uit die kramp, het moet weer versoepelen, beweeglijk worden. Als het in de bevroren stand staat, moet het activeren en als het in de vecht- of vluchtstand staat, moet het juist deactiveren. Er zijn veel manieren om dat te doen, en één ervan, de meest natuurlijke feitelijk, is co-regulatie. Dat betekent: veilig samenzijn met een ander mens of dier en verbinding maken. Zenuwstelsels doen dat uit zichzelf, die verbinden zich met de zenuwstelsels van andere mensen en levende wezens. Nee, dat is geen abracadabra en ook niet zweverig. We weten allemaal dat je een huilend kind alleen kan troosten als je zelf kalm bent. Er is contact tussen de zenuwstelsels van de trooster en het kind. Kalmte is besmettelijk, evenals stress overigens. Als de trooster dus aangestoken wordt door de stress van het kind, heb je het begin van parentificatie te pakken. Omkering van de rol van ouder en kind. 

Omdat onze zenuwstelsels met elkaar in verbinding staan, kunnen we groepsdynamieken ervaren zoals het heerlijke gevoel van verbonden zijn en genieten op een dansfeest of concert, of het dreigende besef van uit-de-hand-lopende emoties bij een demonstratie met rellen. We voelen elkaars emoties aan en reageren daarop, of we dat nou willen of niet. 
Wij mensen zijn dus veel minder autonoom dan we graag willen geloven. En daar is een goede reden voor. We delen – net als kuddedieren, scholen vissen en zwermen vogels – op een bepaald niveau één gemeenschappelijk bewustzijn, zodat we adequater op gevaar kunnen reageren. Dat gemeenschappelijke bewustzijn kan ons gematigd of extreem activeren en deactiveren, precies zoals het individuele zenuwstelsel dat kan. De golf van gemeenschappelijk angst en stress die opgeroepen is door de corona-crisis is daar een goed voorbeeld van.

En daar zijn we weer terug bij het besmettingsgevaar. Je kan elkaar besmetten met ziekte (corona), maar ook met gezondheid en zelfs heling (co-regulatie) als je dicht bij elkaar komt. Hier spelen twee tegenstrijdige levensbehoeften: verbinding en autonomie. We leggen in onze samenleving erg veel nadruk op autonomie, in het geval van corona te vertalen met ‘het recht om niet besmet te worden’. Maar verbinding is net zozeer van levensbelang als autonomie. Vooral voor wie als kind niet getroost en gerustgesteld is na overweldigende situaties, en daarom nog steeds rondloopt met een ontregeld en verkrampt zenuwstelsel. 

Dus lieve mensen, mijd elkaar niet. Juist niet in moeilijke tijden. We hebben elkaar nodig. Ik zeg niet dat je onnodige risico’s moet lopen; bescherm je waar nodig en mogelijk. Maar mijd elkaar niet.

KOPP-blog: stop met dat stoornissen-denken

MAMA IS ZIEK IN HAAR HOOFD.
Dat zijn de eerste woorden die ik gehoord heb over wat er met mijn moeder aan de hand was. Wat ik daar als klein meisje van gemerkt had: veel ruzie en onbegrip, situaties die emotioneel overweldigend waren – ook voor de volwassenen – en stress. Een beangstigende, toenemende spanning die uiteindelijk leidde tot het uiteenspatten van ons gezin. 

Mijn moeder werd gedwongen opgenomen en ze verdween daarmee voor altijd uit ons gezinsleven. Mijn broer, mijn zusje en ik bleven bij onze vader en er kwam een omgangsregeling met onze moeder. Zij was chronisch licht psychotisch en heeft nooit meer goed gefunctioneerd. In de loop van de jaren raakte ze steeds verder verwijderd van de realiteit. Ze heeft jarenlang gezworven en stierf op haar 52ste aan kanker. Tot onze opluchting. 

Dit is een KOPP-verhaal, zoals er zo vele zijn. Een ontzettend verdrietig verhaal, zoals alle KOPP-verhalen. Het onderwerp ervan is niet ziekte of gezondheid. Het is verdriet en lijden. Daar moet je niet over lullen, dat moet je gewoon doorvoelen. Samen met anderen, in een steunende verbinding, want iedereen heeft zo zijn of haar verhaal. Maar dat doen we niet. In plaats daarvan is er een enorm systeem opgetuigd dat zich bezighoudt met stoornissen en behandelingsprotocollen. En wij KOPP’ers staan daar op de grens.

Want als het gaat over psychische gezondheid, hebben volwassen KOPP’ers een unieke positie. Wij staan tussen de ‘gezonden’ en de ‘zieken’ in. Over het algemeen kent de maatschappij namelijk maar twee smaken: je hebt degenen die psychisch ziek zijn en degenen die psychisch gezond zijn. Als KOPP’er ga je daar vaak eerst een tijdje in mee. ‘Vader of moeder, díe was ziek. De andere ouder was gezond. En ikzelf, ik struggel dan wel behoorlijk, maar dat is heel iets anders dan mijn vader/moeder want die had echt een stóórnis.’ Daar kan je je een poosje aan vasthouden, maar als je eigen klachten toch echt ook behandeling gaan verlangen, is er op een gegeven moment wel een grens bereikt. En dan? Aan welke kant van die lijn sta je dan?

In die situatie kan je niet volhouden dat er zoiets bestaat als een dikke zwarte streep tussen psychisch ziek en psychisch gezond. Daar in dat grensgebied bevindt zich een wonderlijk niemandsland dat beladen is met taboe en angst. Dat ervaar je aan den lijve. Je mag vooral niet aan de verkeerde kant van de streep belanden. Maar als je behandeling wilt, zal je toch een diagnose moeten halen. Dat voelt verscheurd.
KOPP’ers gaan vragen stellen bij het ggz-systeem zoals we dat kennen. Moedige therapeuten trouwens ook. Wie zich echt in de ander inleeft, voelt aan zijn water dat het uitgangspunt niet kan kloppen. Maar bevredigende antwoorden zijn nog niet breed te vinden.

Dus, wat is dan het uitgangspunt dat volgens mij niet klopt? Daarmee bedoel ik het stoornissen-denken. En daar zijn dan weer een paar aspecten aan. 
Eén: de biologische psychiatrie, die ervan uitgaat dat die zogenaamde stoornissen hersenaandoeningen zijn. Dat er dus iets ‘stuk’ zou zijn in het hoofd van iemand die psychisch lijdt. Voor dat laatste is door hersenonderzoekers geen bewijs gevonden. Niet dat ze er niet naar gezocht hebben. Er wordt al zo’n halve eeuw veel geld en onderzoek in gestoken. Veel psychiaters zijn nog steeds aanhanger van deze gedachte. Zonder enig bewijs. Er wordt beleid op gebaseerd. Zonder enig bewijs. 
Het tweede uitgangspunt dat niet klopt, is de wel erg vernauwde betekenis van het woord ‘normaal’. Gedrag of gevoelens die buiten het ‘normale’ vallen, interpreteren we als een stoornis. Al die stoornissen staan verzameld en beschreven in de DSM, het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Als je met dat ding onder je kussen gaat slapen, word je de volgende dag wakker met tenminste drie verschillende diagnoses. Ja, jij ook. En ik met tien.
De bandbreedte van wat we als normaal beschouwen, wordt steeds kleiner. Tegenwoordig krijgen zelfs kinderen allerlei psychiatrische diagnoses. Je kan je afvragen of deze generatie kinderen nou zo afwijkend is, of dat er wellicht iets mis is met onze interpretatie van het woord ‘normaal’. 

Mijn uitgangspunt, in tegenstelling tot het stoornissen-denken, is: psychisch lijden is heel normaal. Het hoort bij het leven. Wij allemaal worstelen af en toe met onze emoties en ons stresslevel. We hebben allemaal zo onze afwijkingen. Iedereen is op zijn of haar eigen manier gestoord, al dan niet prettig. Dat betekent niet dat er iets in je hersenen ‘stuk’ is. 

Natuurlijk bestaan er ook ziektebeelden. Mijn moeder had de diagnose schizofrenie. Een herkenbaar beeld van ‘in de war zijn’ en ‘dingen zien die er niet zijn’. Ik zal heus niet ontkennen dat mijn moeder ziek was, daarvoor heeft mijn geschiedenis echt te veel impact gehad. Het beeld dat haar zorgwekkende staat van zijn gaf, kan je labelen met een woord, schizofrenie in dit geval. Dat is handig. Weliswaar zijn de randen daarvan bepaald onhelder. Wanneer heeft iemand schizofrenie, wanneer is iemand alleen maar psychotisch? Wanneer heeft iemand gewoon erg veel fantasie, en op welk moment gaat dat over in waandenkbeelden? Voordat de DSM daarover de afspraken op schrift stelde, verstond iedereen er iets anders onder.

Prima dus dat de DSM zorgt dat iedereen in elk geval hetzelfde verstaat onder het labeltje. Maar dat betekent nog niet dat er daarmee ineens een dikke zwarte streep loopt tussen veel fantasie en waandenkbeelden. Dat is namelijk een glijdende schaal. Een continuüm. Iedereen die ooit zelf psychotisch was, of iedere naaste van iemand die wel eens psychotisch is geweest, heeft dit ervaren. Hoe verwarrend is het dan dat uitgerekend de deskundigen dat continuüm niet (h)erkennen?

In mijn boek staat een aanbeveling van Floortje Scheepers, hoogleraar innovatie in de ggz. Auteur van het boek Mensen zijn ingewikkeld. Alle pogingen om menselijk gedrag te verklaren volgens één bepaald model schieten namelijk tekort, zo zegt zij. We moeten de verschillende percepties naast elkaar leggen en van elkaar leren. Niemand heeft de waarheid in pacht. Ook de wetenschappers niet. Dus luister vooral ook naar ervaringsdeskundigen. Die weten immers van binnenuit waar ze het over hebben. 

Nou, zo één ben ik er dus. Ik ben ervaringsdeskundige als KOPP’er, maar ook als cliënt in de ggz. Ik kom van ver, al heb ik nooit diagnoses opgehaald. Ik ben goed genoeg van het padje geweest om recht te hebben op een angststoornis, een depressieve stoornis en een dissociatieve stoornis. Vroeger. Nu ben ik alleen nog een bovengemiddelde angsthaas en verder ook – volgens mijn intimi tenminste – een beetje een rare druif. 

Ik heb dus een boek geschreven dat gaat over trauma. Omdat ik iets belangrijks te vertellen heb. Niet omdat ik nou zo’n bijzonder iemand ben, maar doordat ik precies die cocktail aan ervaringen in mijn leven heb meegekregen die het mij mogelijk maakte om dit inzicht te verwerven. Een inzicht dat hoop en perspectief biedt voor alle mensen met psychische problematiek én hun omgeving. Het is misschien geen gemakkelijke boodschap en je hoeft hem ook echt niet te geloven omdat ík erin geloof. 

Als je het interessant vindt, hoop ik dat je het open en nieuwsgierig durft te lezen om vervolgens je eigen conclusies te trekken. 

VAN TABOE NAAR TRAUMABEWUST
Vanaf eind september ook in E-book versie verkrijgbaar.

KOPP-blog: konijnendrolletjes

OOIT WORDT IEDER MENS GEBOREN
als een klein prutsje dat nog niks in de melk te brokkelen heeft. Ook sporthelden en ministers beginnen zo. Allemaal dragen we ergens nog een herinnering mee aan die staat van zijn, hulpeloos en onbelangrijk. En zo verlangend naar meer invloed en macht. Ieder kind wil groter zijn dat het is.
Vervolgens leren we allemaal dat we invloed kunnen verkrijgen door iets te maken, te zijn of te doen. Iets maken, dat kunnen we al heel vroeg. Zodra een kind in de gaten krijgt dat het helemaal zelf een drol heeft geproduceerd, kan het daar super trots op zijn. Ik weet nog dat mijn grote broer ooit hard lachte nadat hij een blik had geworpen op mijn geurige product. ‘Allemaal konijnendrolletjes’ was zijn smalende oordeel; dat kwam binnen als een persoonlijke belediging. Alsof hij om mij lachte in plaats van om mijn uitwerpselen.
‘Je bent wat je maakt’; zo heb ik zijn boodschap begrepen. Niet veel dus, dat was duidelijk.

Je kan ook iets bijzonders zijn, een prins(es) of een gehandicapt kind bijvoorbeeld. Daar heb je geen invloed op, al ben je dan wel belangrijk en dus benijdenswaardig. Gehandicapt wilde ik ook wel zijn, of desnoods een prinses – alles voor de goede zaak. Het gevoel dat iemand me zág. Helaas, ik had geen invloed op wie ik was, wat ik maakte was ook niet veel soeps, ik kon dus alleen invloed uitoefenen met wat ik deed

En wat deed ik? Me aanpassen. Onzichtbaar zijn. De regels volgen. Het was bij ons thuis niet pluis, dus er was weinig ruimte om zomaar te doen wat er in ons opkwam. Dat is het eerste waar kinderen mee ophouden als het onveilig is, spelen. Gehoorzamen, lief en vrolijk doen (wel zachtjes), dat mocht. Daar was ik dan ook heel goed in. Ondertussen kneep ik mijn zusje als er niemand in de buurt was, want ik moest me toch afreageren – lief en vrolijk doen terwijl je het niet bent heeft zo zijn prijs.

Wij waren kinderen in emotionele nood, zoals de meeste KOPP’ers dat zijn. Afhankelijk van het gedrag van de ouders en onze eigen rol in het systeem hebben we geleerd om onszelf nadrukkelijk met onze wil in de wereld te zetten, of juist niet. Bij mij thuis was het regime streng, er was veel angst voor gekte. Ik werd daardoor terughoudend in mijn uitingen, ik was altijd bang. Maar het kan ook andersom. Kinderen die meer permissie krijgen om boos te zijn (dat kunnen de jongens zijn, of de jongste kinderen) leren soms juist wél om zich zichtbaar te maken. In KOPP-gezinnen waar de ouders geen verantwoordelijkheid nemen, depressief of dronken op bed liggen of emotioneel onmachtig zijn, leren kinderen vaak zelfs extreem goed om hun wil in de wereld zetten. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van één van mijn klanten, die het bij crisis voor elkaar kreeg om de politie weg te sturen: ‘Ik heb mama volledig onder controle. Ze is nu weer rustig. Als jullie binnenkomen, flipt ze juist.’ 

Deze KOPP’ers worden super mondig en hebben een grote vormkracht als volwassene; ze lijken geen angst te kennen. Ze richten bedrijven op, zeilen de wereld rond of realiseren grote kunstprojecten. Maar dat heeft ook een prijs. Als we zo ontwikkeld zijn, staat – zolang we daar niet aan werken tenminste – onze kwetsbaarheid buitenspel, moeten onze innerlijke kinderen hun kop houden. Als we ooit zwakte hadden getoond, hadden we het immers niet overleefd. 
En op een dag is het batterijtje leeg, en kunnen we niet meer. We moeten dan eerst naar onze innerlijke fluister gaan luisteren in plaats van ons te blijven voegen naar onze zelfopgelegde discipline. Wat we dan moeten leren, is het ervaren van onze (wel degelijk aanwezige) angst. Die is er niet voor niets.

Bij mij was het net andersom. Dat is niet beter of slechter. Zoals sommige dreumesjes eerst gaan lopen en anderen eerst gaan praten, zo ontwikkelen (jong)volwassenen KOPP’ers zich ook met verschillende prioriteiten. De één leert eerst willen en en daarna kunnen, bij de ander is dat andersom. Met andere woorden: de één leert eerst om angst te onderdrukken terwijl de ander er eerst naar leert luisteren. Ter vergelijking: kinderen die opgroeien bij emotioneel stabiele ouders, krijgen van jongs af aan oefening in het in evenwicht brengen van deze twee polariteiten en hebben daarmee als volwassene een voorsprong op KOPP’ers.

Ik begón als jongvolwassene juist met een leeg batterijtje. Ik wilde wel van alles, maar kon niks – ik was chronisch gedissocieerd. Mijn angstige innerlijke kinderen waren de baas en dat vreet energie, ik maakte dus – ook als twintiger – weinig meer dan konijnendrolletjes. Was ik eindelijk gehandicapt, sociaal dan, nu schaamde ik me daar te erg voor om er een slaatje uit te slaan. Ik heb jarenlang geleefd als een kluizenaar. Wat ik moest overwinnen, was de overtuiging dat ik mijn innerlijke kinderen wás. Pas toen ik ging voelen dat ik toch ook echt een volwassene was, kon ik vertrouwen ontwikkelen in de kunst van het ‘bij machte zijn’. En werd ik minder bang.

Nu ik 53 ben, begin ik pas serieus iets in de wereld te zetten. Een boek, dat zal je vermoedelijk niet ontgaan zijn. Ik werk er al tien jaar aan, dat is het probleem niet – ik kan schrijven en ik kan ook een langdurig project aan. Het in de wereld zetten, daar zit de uitdaging. Want dan merk ik dat ik daarin weinig oefening heb gehad. Er is duidelijk een vijfjarige in mij aanwezig die haar eigenwaarde afhankelijk maakt van het oordeel van de wereld over wat ze produceert. Het manuscript wordt as we speak door de drukker omgezet in fysieke exemplaren. Nu moeten het toch tenminste wel gouden keutels zijn!

Dus daarmee ben ik nog steeds aan het worstelen. Ik ben niet wat ik maak. En nog minder ben ik wat een ander daarvan vindt. Maar dat betekent nog niet dat ik niet verbonden ben met wat ik maak. Of dat ik niet geraakt word door wat een ander daarvan vindt. Daartussen mag ik nu fijn het midden gaan zoeken. Hoera!
Wat belangrijk is, is dat ik er vierkant achter sta. En het sleutelwoord is – ook hier weer – vertrouwen. Ik stuur mijn boek deze week de wereld in, in het vertrouwen dat het gaat doen wat het moet doen. Weliswaar is het een wat bibberig vertrouwen, maar misschien is dat gewoon wel goed genoeg.

Van taboe naar traumabewust

KOPP-blog: van kopp en maaiveld

IK HEB EEN BOEK GESCHREVEN. HOE VERZIN IK HET?
Boeken willen de wereld in. Dan word ik dus zichtbaar.
Dingen opschrijven in mijn eentje vind ik best leuk. Zolang het allemaal binnenskamers blijft is er niks aan de hand. Maar ja, als je een boek binnenskamers wilt houden, moet je er een geheim dagboek van maken. Zo blijf je zelf fijn buiten schot.
(Al willen ze dat dan nog wel eens ná je dood publiceren. Lekker voor je familie, die dan achteraf met de reacties mag dealen.) 

Nee, een groot deel van mijn leven ben ik eigenlijk niet zo happig op het delen van mijn bevindingen met andere mensen. Dat is me iets te vaak niet goed bekomen. Dan had ik ergens weer eens één of andere eigenwijze mening over, die ik natuurlijk te vuur en te zwaard probeerde op te leggen. Overcompensatie – als kind heb ik me volledig onbelangrijk gevoeld. Dus dat ging van dik hout zaagt men planken. Ik was namelijk totaal niet in contact. Tja, dat vinden mensen niet leuk en er zijn er (echt waar!) die dat gewoon laten merken. Ik werd daar altijd door verrast. Ik had geen idee, ik was immers niet in contact. Dus dan schrok ik me de tandjes. Story of my life. 

Kennen jullie het verhaal van Kassandra van Troje, naar wie ik (bedankt pa&ma 😉 ) vernoemd ben? Zij was een Griekse prinses en zieneres. De dochter van koning Priamus van Troje. Kassandra voorspelde al haar hele leven de ondergang van Troje, maar niemand wilde haar geloven. Sommige mensen waren bang voor haar, anderen lachten haar uit. En daar ging Kassandra van Troje niet goed op. Ze werd instabieler en vertoonde op den duur te veel tekenen van gekte. Eerst was ze te jong en vervolgens te gek om geloofd te worden. Tragisch. 
Natuurlijk kreeg Kassandra van Troje gelijk – anders had niemand haar naam onthouden. Troje is gevallen en dat ging gepaard met grof geweld en het verlies van vele mensenlevens. Logisch dat niemand dat wilde geloven. Wat moet je met die wijsheid? Je voorbereiden op een wrede dood? Tien, twintig, dertig jaar van tevoren?
Maar Kassandra van Troje had de drang om te spreken. Zij kón haar voorspelling niet voor zich houden. 

Nou, zo was het met mij dus ook. Daarom noem ik dat het Kassandra complex. Al deed ik dan geen voorspellingen, zoals veel KOPP’ers had ik zulke scherp afgestelde antennes dat ik mensen vaak eerder doorzag dan zij zichzelf. Soms had ik het bij het rechte eind. Soms ook niet, dan projecteerde ik. Als je nog niet in de gaten hebt hoe dat werkt, projectie, is dat maar al te gemakkelijk te verwarren met intuïtie. Maar of ik gelijk had of niet, in beide gevallen werd mijn openhartigheid me natuurlijk niet in dank afgenomen. Ik heb daarin harde lessen moeten leren.

Als gevolg werd ik jarenlang erg terughoudend en super alert. Pas de laatste jaren – mijn website getuigt ervan – stuur ik sommige van mijn oprispingen weer de wereld in. Nu ik bijna altijd wél goed in contact ben, levert dat meestal alleen maar positieve reacties op. En de enkele keren dat dat misgaat, probeer ik daarvan te leren.

Nou is een maandelijkse blog wel heel iets anders dan een boek. Nu dat af is, voel ik mijn oude angst weer. Een trigger dus, al is een deel van de angst ook in het hier en nu reëel – iedere auteur levert zich over aan de recensenten. Hun conclusies gaan soms van dik hout zaagt men planken, net als die van mij vroeger. 
En toch… hoe spannend ik het ook vind om mijn kopp boven het maaiveld uit te steken met mijn eigenwijze mening, ik kon dit boek niet níet schrijven. 

Van taboe naar bewust gaat over trauma en de grote omvang, betekenis en invloed daarvan. Het is absoluut relevant voor KOPP, én de doelgroep is veel breder. 
Ik wil graag een ander geluid laten horen dan het gebruikelijke omdat dat mijns inziens hard nodig is. Ik probeer ermee bij te dragen aan een paradigmaverschuiving die al gaande is, naar een helder begrip van psychisch lijden, minder stigma en meer openheid. 

Gelukkig kan ik tegenwoordig iedereen vrijlaten om uit mijn betoog zijn of haar eigen conclusies te trekken. Dus hopelijk maaien de critici mijn kopp er niet af.

Van taboe naar bewust – wat trauma met ons doet verschijnt in augustus.
Interesse? Stuur me een mailtje, dan zet ik je op de voorverkooplijst.

KOPP-blog: willen of moeten

WIE EEN HOND OF EEN KAT HEEFT, WEET HET.
Het is namelijk zo logisch als wat. Als je wilt dat je huisdier naar je toe komt, moet je zorgen dat hij de motivatie opbrengt om zijn eigen pootjes te gebruiken. Je moet voor elkaar krijgen dat hij het wíl. Gewoon even lokken met een brokje. Zo lang je dat kunstje nog niet onder de knie hebt, moet je zelf de afstand overbruggen. En je dier nog dragen ook. Je blijft er fit bij, dat wel. Maar het kost ook een hoop energie die je misschien liever ergens anders wil gebruiken. 

Je huisdier laten gehoorzamen is één ding. Da’s de basisschool, zeg maar. Hoger onderwijs is het op afstand besturen van je kind. Zodra het de leeftijd heeft dat je het op zijn eigen beentjes kan zetten, tenminste. Wil jij even dit kopje voor mama naar de keuken brengen? Wil jij deze prop voor papa in de prullenbak gooien? Eerst vinden ze het nog ontzettend leuk om papa of mama te helpen, maar ja… dan worden ze twee en zeggen ze “nee!” En dan begint het gedonder. 

Kinderen zijn uiteraard ook uitstekend te paaien met een snoepje, maar hé, een verantwoordelijke ouder doet niet aan dat soort chantage. Anders dan een huisdier moet een kind ooit onafhankelijk worden, althans, dat is de bedoeling. 
Je kan je kind ook bang maken. ‘Als jij niet doet wat ik zeg, dan zwaait er wat!’ Dat is dan weer het andere uiterste; macht gebruiken.

Veel van onze ouders hadden maar weinig repertoire tussen deze uitersten in. Als KOPP’ers hebben wij best vaak geleden onder machtsgebruik of emotionele chantage, of allebei – van vaders kant het één en van moeders kant het ander. Als je geen voorbeeld hebt gehad in het repertoire daar tussenin, gematigd, flexibel en afgestemd op jouw behoeften als kind, dan heb je daarmee ook niet kunnen oefenen. Het is een hele kunst, namelijk, die jaren oefening vraagt.
In dat geval heb je met je eigen kinderen ook een stevige uitdaging, als je daar tenminste überhaupt aan durft te beginnen. Mijn zoon is inmiddels twintig en ik vind dat nog steeds ingewikkeld.

Het voorbeeld dat je gehad hebt in het nemen van verantwoordelijkheid, het doen van taken, is bepalend voor hoe je daar zelf als volwassene mee omgaat. Zoals je door je ouders behandeld bent als heel jong kind, integreer je dat namelijk in jezelf. Oók als je heel erg je best doet om het anders te doen. Jouw geïntegreerde ouders zitten op een heel diepe bewustzijnslaag. 

Deze laag gaat over de manier waarop we onszélf bejegenen. Had je een ouder die te veel macht gebruikte, dan zal je als volwassene een keiharde innerlijke criticus hebben. Waarschijnlijk ben je een ‘moeter’ die de dingen op kracht doet. ‘Ik moet altijd nuttig bezig zijn/ ik moet voor mijn ouders zorgen/ ik moet zacht zijn voor mezelf. Anders ben ik een mislukkeling/ anders ben ik schuldig/ anders schiet ik tekort.’ 
Inmiddels heb ik het door: als ik me héél rot ga voelen en ik weet niet waarom, heb ik mezelf op deze manier diep vanbinnen lopen slaan.

Had je een chanterende ouder, dan zal je het misschien moeilijk vinden om iets van jezelf gedaan te krijgen. Je krijgt een ingewikkelde relatie met je wilskracht. Want als jij je wil gebruikt om het juiste te doen, krijgt je ouder zijn zin, en dat ging toen jij klein was ten koste van jouw zin. Een chanterende innerlijke ouder leidt daarom nogal eens tot zelfsabotage. 

Onszelf leren aansturen, dat is universitair niveau. Althans, als je KOPP bent. Wie opgegroeid is in een stabiel gezin met vaardige ouders, integreert deze vaardigheid gratis mee en krijgt er ook nog eens voldoende oefening in. Maar wij dus niet. Dat heet ontwikkelingstrauma. En ja, daar mag je boos over zijn, maar dat terzijde. 

Wat ons te doen staat, is leren wíllen. We moeten weer twee worden en ‘nee!’ zeggen, gewoon om te voelen dat we zelf ook iets willen. Zodat we de dingen op verlangen kunnen gaan doen in plaats van op kracht. Zodra je contact kan maken met je intrinsieke verlangen, is er geen moeten meer en ook geen zelfsabotage. Dan hoef je dus ook niet te stoppen met moeten, of te stoppen met zelfsabotage – die verdampt dan vanzelf.

Ik neem ’s ochtends vaak een koude douche. Oorspronkelijk was de bedoeling iedere dag, de eerste twee jaar heb ik me daar heel braaf aan gehouden. Dat was uit ‘moeten’ en dat deed ik dus op kracht. Ik heb gemerkt dat ik daar niet blijer van werd. Al doet die koude douche op zich wonderen voor mijn humeur en mijn energieniveau, ik ga niet goed op ‘moeten’. 
Ik kan het zelf ook bijna niet geloven, maar tegenwoordig neem ik koude douches uit verlangen. Ik móet het niet meer van mezelf. En toch doe ik het nog. 

Hetzelfde geldt voor emotionele ontwikkeling en traumawerk. Pas als het oké is zoals het is, en er niets meer ‘moet’, komt daar substantieel ruimte voor. Geloof het of niet, je kan ernaar gaan verlangen.

KOPP-blog: van de wap

HET IS AL RUIM EEN JAAR CRISIS.
Dan zijn een hoop mensen bang. Maar er zijn maar weinig mensen die dat er gewoon kunnen laten zijn. Angst is ongemakkelijk, een helemaal niet cool bovendien.
Vorig jaar, na een paar maanden corona, voelde ik de collectieve angst het vaakst verpakt in woede. Ik hoorde vooral harde oordelen over alle asocialen die zich niet aan de regels hielden. We moesten onze pleziertjes blijmoedig opgeven om de kwetsbaren te redden. Voor andere geluiden was weinig ruimte in het begin. 

De boodschap die ik hoorde, was: ‘Hou je aan de regels! Accepteer ‘het nieuwe normaal’! Offer je op!’

Machtiger mensen die in een stressvolle situatie ingrijpende beslissingen nemen over mijn leven. Beslissingen die niet per se zo heilzaam zijn voor mijn emotionele gezondheid, zonder dat ik daar iets over te zeggen heb. Dat is voor veel KOPP’ers maar al te bekend. En zo beladen dat we daar vroeger overlevingsgedrag voor moesten ontwikkelen. Bij mij is dat overlevingsgedrag mijn cynische ikje. Ik had haar al een poos niet gehoord.

Vanaf het moment dat de avondklok – ondanks de uitspraak van de rechter – niet werd opgeheven, is mijn cynische ikje wakker en actief. Zij gelooft niet dat het ooit nog over zal gaan. Die mooie beloftes die niet waargemaakt worden, het gejojo waar iedereen over klaagt – zij laat zich de pis niet meer lauw maken. Corona is here to stay, zegt ze. En de politiek, de machthebbers, die onderdrukken ons omdat het kán. Wen er maar aan.
Tja, het is een eigenwijs deel hoor, met een sterk vermogen om haar eigenaardige opvattingen behoorlijk aan mij op te dringen. Ze was al vaker duidelijk aanwezig in mijn leven, bijvoorbeeld tijdens mijn bevalling. Die weeën zouden ook nooit stoppen, dat wist ze heel zeker. Ik zou daar voor de eeuwigheid liggen baren, maar nooit mijn baby zien.  

Die baby heeft deze maand zijn twintigste verjaardag gevierd. Dus het openbare leven zal over een poosje ook wel opengaan. Mijn gezonde verstand weet dat heus wel.

Mijn gezonde verstand weet ook best waarom ik ooit een cynisch overlevingsdeel moest ontwikkelen. Het wás in ons huishouden ooit een kwestie van volhouden. Boos worden was gevaarlijk en geloof in een goede afloop werd keer op keer verpletterd. Mijn cynisme heeft dus een belangrijke functie gehad. Het hield mijn overweldigende gevoelens van woede, verdriet en angst onder controle zo lang als het nog onveilig was. 
En inderdaad, ze is behoorlijk van de wap nu de wereld wéér zo onveilig aanvoelt. En dat gaat dus niet over nu. Mijn cynische overlevingsdeel reageert op mijn realiteit van toen. Zoals ik die ervaren heb, met de beperkingen van de leeftijd die ik toen had. 

Gelukkig heb ik kennis van deze materie, en wéét ik dus dat dat zo werkt. Ik neem mijn cynische ikje niet zo serieus. Maar er zijn dus ook een heleboel mensen die dat verband niet leggen. En die hun innerlijke ikje, dat zo van de wap is, nog niet kunnen sturen omdat ze ervaren dat ze dat zelf zijn. Die mensen voelen zich ontzettend onveilig, vandaar dat ze ook zoveel stampij maken. 

Er zijn een hoop soorten overlevingsdelen die zich dan kunnen opdringen. Bij mij is het mijn cynische ikje, maar de ontkenner is er ook één, evenals de complotdenker. Deze overlevingsdelen kunnen ontstaan in reactie op de vrijheidsbeperkende regels en ook op de corona zelf. Alleen gáán ze daar dus niet over – in feite spelen ze een oude rol uit een heel oud toneelstuk. Een stuk uit het ouderlijk huis.

Aan de andere kant van het spectrum zijn er evengoed mensen die geleefd worden door hun overlevingsgedrag en die dus net zozeer van de wap zijn door het virus. Overlevingsgedrag kan twee kanten uitslaan. Naar ontkenning en vermijding, zoals boven beschreven, of naar overdreven angst en overdreven controle. Twee kanten van dezelfde medaille. 

Ook veel KOPP’ers kennen de angst en controle. Meestal degenen van wie de ouders onvoldoende verantwoordelijkheid namen, zodat ze thuis te weinig vaste grond ervaarden. KOPP’ers die in zo’n situatie opgroeiden, hebben al jong de touwtjes in handen moeten nemen en behouden vaak de urgentie om alles op een overdreven manier onder controle te houden. Erg vermoeiend en bovendien onmogelijk, dus zo’n overlevingsdeel is gedoemd om te mislukken, wat de stress alleen maar verhoogt.

Het is voor ons allemaal de uitdaging om de middenweg te vinden. Niet te weinig controle, maar zeker ook niet te veel. Waar het gaat over het coronabeleid, zien we de overheid worstelen met deze opdracht. Soms schieten ze naar de ene kant en soms naar de andere. Hier te veel, daar te weinig. Er is veel overlevingsgedrag voelbaar. Spierballentaal van onder controle houden én onmogelijke beloftes doen omdat het draagvlak in het geding is. 

Dat geeft een instabiel gevoel. Mijn cynische ikje wordt er enorm door geprikkeld in elk geval. De mensen die ons land besturen weten het ook allemaal niet zo goed.
Wat we als land in crisis vooral nodig hebben van onze leiders is emotionele stabiliteit en gezond verstand. Precies zoals vroeger van onze ouders.

KOPP-blog: echo’s

Wie aan emotionele ontwikkeling gaat doen, komt al gauw in aanraking met de vraag: ben ik wel lief genoeg voor mezelf? Veel mensen zijn superstreng voor zichzelf en hebben het nodig om hun innerlijke kind te omhelzen en op schoot te zetten. Omdat ze dat ooit gemist hebben. Zoals we zelf als kind behandeld zijn, zo behandelen we het kind in onszelf. Een echo.

Als we het vaak nodig hebben om ons innerlijke kind op schoot te zetten, is er sprake van emotionele kou in onze achtergrond. Dat kan in alle varianten zijn. Soms tot en met mishandeling aan toe, waarbij het voor de hand ligt dat dat gewonde innerlijke kinderen oplevert. Of als je ouder je te vaak afsnauwde of je het gevoel heeft gegeven dat je niet belangrijk was, leidt dat tot eenzelfde echo in jou als volwassene: jezelf afsnauwen of jezelf überhaupt niet zien. 

Emotionele kou in de achtergrond leidt tot een pijnlijke, urgente behoefte aan verbinding. Als je dan je innerlijke kind op schoot kunt zetten, breng je die verbinding zélf tot stand. Dat maakt je minder afhankelijk van anderen. Veel traumawerk is er dan ook op gericht om contact te maken met het behoeftige innerlijke kind.

Er is ook een andere variant mogelijk. Eén die maar al te vaak over het hoofd gezien wordt, ook in het traumawerk. Evengoed als er gezinnen bestaan waarin emotionele kou heerst, zijn er ook gezinnen die emotioneel juist te warm zijn. Klef, zeg maar. Daarin bestaat dezelfde bandbreedte aan varianten. Dus bij emotionele kou kunnen we spreken van streng (de milde variant), dominant (de overdreven variant) en tiranniek gedrag (de extreme variant). Bij emotionele klefheid gaat die bandbreedte van betuttelend, via manipulerend naar parasiterend. (Parasiterend: het kind moet de ouder emotioneel voeden in plaats van andersom).

Opgroeien in zo’n klef gezin is net zo beschadigend als opgroeien in een te koud gezin. Maar het is veel minder zichtbaar. Strengheid, dominantie en zeker tiranniek gedrag vallen vaak wel op in de omgeving. Betutteling, manipulatie en parasitisme niet. Die zijn alleen onderhuids voelbaar. 

Waar een mishandeld kind de boodschap krijgt dat zijn gevoelens of gedachten niet belangrijk zijn, dat het moet gehoorzamen aan degene die de macht heeft, kan het nog wel voelen dat zijn eigen behoefte anders is. Het kan zich spiegelen aan die beangstigende ouder en een eigen mening vormen. Weliswaar mist het de veiligheid van de emotionele verbinding.

Een kind op wie geparasiteerd is, leert vooral dat zijn eigen waarnemingen en gevoelens niet kloppen. Zolang het maar hetzelfde denkt of voelt als papa of mama, is er niks aan de hand. Dan is er liefde en verbinding. Omdat het zonder die verbinding niet kan overleven, leert het kind daarmee om zichzelf te wantrouwen. Het kan zich niet spiegelen, want het moet verplicht samenvallen.

Veel KOPP’ers kennen de dynamiek in die laatste categorie, met name als zij emotioneel de ouder van hun ouder moesten zijn. Als volwassene verkeren zij vaak in verwarring. Ik had niks te klagen, er was toch warmte en liefde? Wat je niet kent, dat mis je ook niet en in dit geval gaat dat over autonomie. Je eigen plek mogen innemen. Mogen leven vanuit je eigen impulsen. Ontdekken wie je zelf eigenlijk bent. 

Deze basisvorm van autonomie is voor de meeste mensen net zo vanzelfsprekend als het water is voor de vis die erin zwemt. Die is zich daar echt niet van bewust. Mensen snappen het dus ook niet als je hier problemen mee hebt. En aangezien je eraan gewend bent om je eigen waarnemingen te wantrouwen, neem je daar heel lang genoegen mee. Ik zal het wel verkeerd zien. Ik moet me niet aanstellen. Anderen hebben het slechter. 
Maar je bent dan net zozeer beschadigd als een kind dat opgroeide in emotionele kou. 

Om het extra ingewikkeld te maken, hebben we vaak ook te maken met beide varianten tegelijk. Vader was te koud en moeder te warm, bijvoorbeeld. Of moeder was de ene keer te koud en de andere keer te warm. Dan weet het kind niet of het naar haar toe moet rennen of van haar vandaan. 

Alle mensen hebben in het contact met anderen twee emotionele basisbehoeftes: verbinding (warmte, nabijheid) en autonomie (koelte, ruimte). Baby’s kunnen niet overleven zonder verbinding, en ze kunnen zich niet gezond ontwikkelen zonder een – zich geleidelijk uitbreidende – autonomie. Volwassenen hebben een grotere behoefte aan autonomie dan kinderen en baby’s, al doet dat niets af aan hun behoefte aan verbinding. Een emotioneel gezonde volwassene zoekt evenzeer de verbinding als de autonomie. En die beheerst het spel om IN de verbinding met de ander autonoom te blijven. Of zich vanuit autonomie met de ander te verbinden. Dat is wat mij betreft wat een emotioneel gezonde volwassene definieert.

Wat onze ouder(s) dus niet was/ waren. Psychische problematiek bestaat bij uitstek uit de onbalans tussen het nastreven van verbinding en autonomie. Een onbalans die extreme vormen aanneemt, die we vervolgens aanduiden als een stoornis. Bijvoorbeeld: een ouder die zich extreem afhankelijk opstelt, is niet autonoom en probeert dat ook niet te worden. Die gebruikt eenvoudig de autonomie van de ander om overeind te blijven. En een ouder die heel star is en alles precies op zijn of haar manier wil, verbindt zich niet. Die wantrouwt de verbinding en zal er altijd voor zorgen dat het gesprek niet echt ergens over gaat.

Dat wantrouwen van de autonomie of juist van de verbinding komt natuurlijk altijd ergens vandaan. Namelijk van de manier waarop de ouders van onze ouders hiermee omgingen, onder druk van de omstandigheden van hún leven. Dat had gevolgen voor onze ouders en dat heeft weer gevolgen voor ons, en vervolgens voor onze kinderen. Emotionele onbalans wordt zo doorgegeven van generatie op generatie. Het is altijd een reactie op wat we hebben meegemaakt. Een poging om ons daartoe te verhouden. 
Totdat je je ervan bewust wordt, en gaat zoeken naar je eigen balans.

Hoe autonoom ben jij? En hoe goed ben je in staat om je te verbinden? Kun je het allebei, maar niet tegelijk? Als je je hierin ontwikkelt, kun je naar keuze soms warm zijn en soms koel – precies zoals dat nodig is in het leven. Heel fijn voor jezelf, zo leef je veel vrijer en eenvoudiger. En een zegen voor je eventuele kinderen.

KOPP-blog: ode aan mijn grootmoeder

HET IS EINDELIJK GEBEURD.
Mijn lieve grootmoeder heeft het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld. Ik ben zo blij!
Raar hè. 

Toen mijn moeder het allemaal niet meer kon bijbenen met drie kinderen onder de vijf, vijftig jaar geleden, was daar mijn grootmoeder. Ze was net weduwe. Ze woonde een eind weg. Toch kwam ze ieder weekend met een pan soep. Samen met haar zus, en die twee dametjes begonnen dan welgemoed aan de afwas die zich een meter hoog op het aanrecht had opgestapeld. Als ze orde op zaken hadden gesteld, vertrokken ze weer en mijn grootmoeder nam dan één van ons mee, iedere week een ander kind, zodat we een weekje tot rust konden komen. 

Mijn moeder trok het allemaal niet en deed rare dingen. Mijn vader in paniek natuurlijk, hij werkte fulltime en had dus geen zicht op wat er thuis gebeurde. Zo moest hij ooit van de buurvrouw horen dat wij uit het raam hingen. Mijn moeder had ons opgesloten en was weggegaan. Het waren jaren van oplopende spanning die uiteindelijk geleid hebben tot een gedwongen opname van mijn moeder. De kinderen werden ondergebracht bij opa’s en oma’s. Ik bij mijn grootmoeder.

Ik weet nog dat we boodschappen deden samen. We liepen door de supermarkt, mijn knuistje stevig vastgehaakt in haar rok. Mijn knokkels zagen er wit van. Grootmoeder demonstreerde mijn verlatingsangst aan haar kennissen, ‘kijk dat arme kind nou toch eens’. 

Ook herinner ik me de natte zoenen die ik van haar kreeg in de kerk. Mijn moeders zoenen vond ik vies, maar die van grootmoeder nooit. Ooit demonstreerde grootmoeder aan een familielid hoe handig ze mij in bad deed, in de wastafel namelijk. Dat werd me toch wel een beetje te gek, dus toen huilde ik hard omdat het water te heet was. Wat niet het geval was, maar het had wel het gewenste effect. De aandacht ging weer daar naartoe waar hij hoorde. Naar mij. Ik was drie jaar oud, het middelpunt van de wereld dus. En grootmoeder was de enige die dat snapte.

Bij de scheiding werden wij aan onze vader toegewezen. Hij hertrouwde en er kwam een elegante omgangsregeling met onze moeder. Bij grootmoeder thuis. Mijn broer, mijn zusje en ik brachten dus iedere zomervakantie tenminste drie weken bij grootmoeder door. Zij was zo stevig dat ze de gekte van mijn moeder neutraliseerde. Natuurlijk gaf het verontrustende gedrag van mijn moeder nog steeds stress, toch heb ik me daar nooit onveilig gevoeld. Grootmoeder was er altijd.
Ze woonde in een paradijs. Haar huis stond op een heuvel midden in het bos. Bovendien was er een zwembad. Alleen op die plek konden we eindeloos spelen en kind zijn.

Mijn moeder overleed toen ik 21 was. Grootmoeder deed voor hoe je dat doet, afscheid nemen van een dode. Ze stond bedaard bij het lichaam van haar dochter, onze moeder, en raakte het op een volkomen natuurlijke manier aan. De dood van onze moeder was welkom, het lijden was zo groot geweest. 

Wij, mijn broer, zus en ik groeiden op, trouwden. Grootmoeder werd overgrootmoeder. Ik heb meer dan eens ‘gebeden’ dat ze niet zou sterven voordat ik eraan toe was. Al greep ik me niet meer vast aan haar rok, tot ver in mijn volwassenheid heb ik me te instabiel gevoeld om haar te kunnen missen. 
Of het door mijn smeekbedes kwam weet ik niet, maar grootmoeder bleef. En we scheidden, kregen nieuwe relaties. Wat mijn moeder in jaren tekort is gekomen, leefde mijn grootmoeder extra, zo leek het wel.
Drie maanden na haar honderdste verjaardag viel ze, en brak ze haar heup. Ze werd geopereerd en nog eens drie maanden later liep ze weer. Niet kapot te krijgen. 

Pas een paar jaar of vijf geleden begon ze achteruit te gaan. Ze kwam gevangen te zitten in haar tergend langzaam aftakelende lijfje. Ik bezocht haar zo vaak mogelijk en altijd was ze – precies zoals toen ik een kind was – blij om mij te zien. We dachten dat ze ons nooit zou verlaten, maar uiteindelijk is het haar toch gelukt. De laatste woorden die ze tegen me sprak, waren: tot in de hemel.

Gisteren nam ik afscheid van haar lichaam. Het moment dat ik haar zag liggen, krulden mijn mondhoeken in een glimlach. Zo ontspannen, zo vredig. En eindelijk vrij; op een haar na 110 jaar oud.

Wat ben ik dankbaar dat ik zo’n stabiele factor in mijn leven gehad heb. Zonder haar was ik nooit gekomen waar ik nu ben. 
Je blijft altijd bij me, lieve grootmoeder. Jouw stevige, simpele liefde zit nu in mij.

KOPP-blog: de missing link

BEGIN JAREN ZEVENTIG VAN DE VORIGE EEUW
kreeg mijn moeder de diagnose paranoïde schizofrenie. De psychiater zei tegen mijn vader: Ik vind het heel erg voor u meneer, maar dit is chronisch en ongeneeslijk. Mijn vader nam zijn verantwoordelijkheid, al was dat een hartverscheurend drama. Hij heeft ervoor gezorgd dat zijn kinderen niet verder hoefden op te groeien bij een moeder die geen contact kon maken met de realiteit. Dat is namelijk zeer traumatiserend.

Bij ons was de situatie overduidelijk. Paranoïde schizofrenie was een diagnose die stond als een huis. Dacht iedereen. Jaren later was er eens een jonge psychiater die nieuwsgierig was naar de omschrijvingen van de diagnoses in verschillende landen, en hij ontdekte dat onder de noemer schizofrenie in Engeland iets heel anders verstaan werd dan in Frankrijk, en weer iets anders dan in Nederland. Dat was een probleem voor de beroepsgroep van psychiaters.
Eigenlijk waren het natuurlijk twee problemen. Er bestonden verschillen in interpretatie tussen de landen, en daaruit moest je concluderen dat men niet precies wist wat schizofrenie dan was. En dat gold niet alleen voor schizofrenie; de oorzaken en precieze betekenis van psychi(atri)sche problematiek wáren niet bekend. Een missing link.

Er bestond in Amerika een standaardwerk dat deze verschillen gelijk kon trekken en dat is ook in Nederland in zwang geraakt. De DSM (Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders) rubriceerde alle bekende psychi(atri)sche ziektes netjes met de symptomen erbij, zodat daarover geen verwarring meer kon ontstaan. Daarmee is de DSM eigenlijk een soort lijst met afspraken: als deze symptomen zich voordoen, noemen we dat X. Dit betekent nog niet dat X op enige manier begrepen wordt. Het is zelfs zeer de vraag of je al dat het beschreven gedrag eigenlijk wel ‘afwijkend’ moet noemen, aangezien dat een interpretatie is en daarmee niet erg wetenschappelijk. Ter illustratie, in de oorspronkelijke DSM trof je in de opsomming van gektes ook homoseksualiteit aan. 

De DSM dus. Zolang de oorzaken van psychische en psychiatrische problematiek onbekend zijn, moet je je behelpen met dit soort afspraken, daar valt niks op af te dingen. Zolang je je maar blijft realiseren dat het afspraken en definities betreft. Het is eigenlijk net zo’n soort afspraak als het KNMI maakt: Als het vijf dagen boven de 25 graden is waarvan tenminste drie boven de 30, noemen we dat een hittegolf. Of die hittegolf wel of niet fijn is, kun je heel verschillend beoordelen. Hetzelfde geldt voor de vraag hoe die hittegolf daar komt. Is hij door god gezonden of het resultaat van een complex systeem aan luchtstromen en opwarming door de zon?

Wat vroeger ‘god’ was, kun je tegenwoordig vertalen met ‘het cognitieve brein’. Dat zit in onze cultuur stevig op de troon en kreeg dus vanzelf de credits voor het veroorzaken van psychi(atri)sche problematiek toen men een jaar of dertig geleden begon met het in kaart brengen van onze hersenpan. Er werd voetstoots vanuit gegaan dat dáár alle gektes gelokaliseerd zouden worden. Het medische en materiële model: een ziekte heeft een oorzaak in de materie en die zit op een bepaalde plek in het lichaam. Voor veel (maar niet voor alle!) fysieke kwalen voldoet dit model inderdaad uitstekend.  

Helaas, waar het gaat over psychisch lijden bleef dit onderzoek zonder resultaat. Jammer genoeg was er al wel op allerlei manieren een voorschotje genomen op de verwachte resultaten. De DSM is in de geestelijke gezondheidszorg een ijzeren wet geworden en de – in aantal almaar groeiende – afwijkende gedragingen kregen de misleidende naam ‘stoornissen’ van de hersenen. Handig voor de verzekeraar, deze duidelijkheid. De geestelijke gezondheidszorg en de verzekeraars houden elkaar inmiddels al vele jaren in een wurggreep en de lijm ertussen is de DSM. Met wetenschap heeft dit alles niet veel te maken.

De jonge psychiater uit de tweede alinea (Jim van Os) is inmiddels hoogleraar psychiatrie en een voorvechter van een andere manier van kijken naar psychisch lijden. Hij lanceerde een kleine vijf jaar geleden de kreet Schizofrenie bestaat niet!  Sindsdien is er – heel langzaam, vanwege de wurggreep –  het één en ander aan het veranderen.
Had mijn moeder dan geen schizofrenie? Ze was chronisch licht psychotisch en daarbij erg wantrouwend. Was dat dan een hersenstoornis? Daar geloof ik, net als Jim van Os, niets van. 

Ervaringsdeskundigen die zelf een herstelproces hebben meegemaakt, van welke ‘stoornis’ dan ook, weten dat iets heel gewoons als emotioneel en fysiek goed voor jezelf zorgen cruciaal is voor herstel. Het vermogen om tot je nemen wat je nodig hebt (zuurstof, voeding, vocht, veiligheid, emotionele verbinding met andere mensen) en af te weren of los te laten wat je niet nodig hebt (giftige stoffen, langdurige stress, oud zeer, vijandigheid en negativiteit) is essentieel voor je psychische gezondheid. Evenals de balans tussen de polariteiten: rust en activiteit, alleen en samen, stevig en zacht, warm en koud. 

Het lukt de meeste volwassenen aardig om voor zichzelf te zorgen. Het vermogen daartoe wordt daarom als vanzelfsprekend beschouwd, maar dat is het allerminst. Juist KOPP’ers weten hier alles van.
Er is namelijk een factor die op dit vermogen buitengewoon verstorend werkt: psychotrauma. De missing link. Mijn boek over dit complexe onderwerp is nog steeds in de maak. 

Helaas heeft mijn moeder geen kans gehad op een herstelproces. Die wake-up-call is iets van mijn generatie, en hopelijk blijft het bewustzijn aanwezig in alle volgende generaties, zodat het uiteindelijk niet meer zo ver hoeft te komen dat mensen chronisch ontregeld raken. 
I have a dream!

KOPP-blog: hete bliksem

MIJN VORIGE BLOG BEËINDIGDE IK MET DE ZIN:
Ik ben god niet! Je zou denken dat ik het kunstje dus wel onder de knie zou hebben, zo langzamerhand: me niet meer schuldig voelen over zaken die buiten mijn eigen cirkel van invloed vallen. Nou, niets blijkt minder waar. Mijn zoon (19) is pasgeleden gediagnostiseerd met een auto-immuunziekte. Chronisch en ongeneeslijk. En ik voel me guilty as hell. Waarom heb ik dat niet eerder gezien? Waarom heb ik het niet voorkomen? Iets in mij gelooft werkelijk dat ik zijn ziekte helemaal in mijn eentje heb veroorzaakt. Alsof ik god ben, met de macht om ziektes als bliksemschichten naar beneden te sturen. 

Die vorige blog gaat over het ontstaan van dat grenzeloze verantwoordelijkheidsgevoel van KOPP’ers. Hoe klein we nog waren toen we de last van de verantwoordelijkheid op ons moesten nemen, toen we dus wel soort van god móesten worden. Hoe we geen keuze hadden, omdat die last zo voor ons ‘klaarlag’ in ons gezin van herkomst aangezien onze ouder(s) emotioneel instabiel waren. 
Ik ben nog niet klaar met dat thema, merk ik. Er zit ook een meergenerationeel aspect aan.

Waarom was/ waren onze ouder(s) eigenlijk emotioneel instabiel? Kwam dat door een psychische stoornis, die ergens in hun leven opgekomen is als poepen, en waren ze vanaf dat moment instabiel? Als je de psychiatrie moet geloven, werkt dat zo. Maar volgens mij ligt het causale verband andersom. Onze ouders ontwikkelden wat we de laatste decennia zijn gaan interpreteren als een ‘psychische stoornis’ omdát ze emotioneel al instabiel waren. Ik verdiep me al jaren in de geschiedenissen van KOPP’ers en zij vertellen mij de verhalen van hun ouders met psychische problematiek – stuk voor stuk mensen die trauma met zich meedroegen dat ze nooit verwerkt hadden. En waar onze ouders niet zijn opgegroeid in oorlogsgebieden, of getroffen door natuurrampen, gaat het daar (net als bij ons) om vroegkinderlijk trauma. 

Ja, KOPP’ers hebben vroegkinderlijk trauma. Ook als de grote problemen of de diagnose pas jaren later kwamen, was de emotionele instabiliteit bij onze ouder(s) er voor onze geboorte al. Daar ben ik van overtuigd geraakt omdat alle KOPP’ers die ik ontmoet heb, en dat zijn er inmiddels honderden, een gemeenschappelijk kenmerk hebben. We proberen ons met behulp van onze zeer scherp afgestelde antennes zó te gedragen dat we bij onze omgeving de juiste reacties creëren. Dat doen we omdat we, toen wij jonge kinderen waren, geleerd hebben om onze ouders te managen in plaats van onszelf. Dat overlevingsgedrag ontstaat al vroeg in de kindertijd, en zou overbodig zijn bij emotioneel stabiele ouders. Emotioneel stabiele ouders stimuleren hun kinderen om zichzelf te voelen. En ze begeleiden hen in het op een acceptabele manier leren uitdrukken van hun gevoelens en verlangens. 
Onze ouders hebben, uiteraard onbedoeld en ongewild, hun onverwerkte trauma als een emotionele hete aardappel aan ons doorgegeven. Eén van de effecten daarvan is het bovengenoemde. Dat heet ontwikkelingstrauma; het niet leren ontwikkelen van je eigen wil en/ of het niet effectief in de wereld leren zetten van je eigen wil. 

Wij kregen dus het onverwerkte trauma van onze ouders als een hete aardappel in onze mik geschoven. Daar waar het bij onze ouders niet over oorlogstrauma, natuurrampen of ziekte en/ of dood in de familie ging, kunnen we aannemen dat zij die hete aardappel weer van hún ouders doorgeschoven hebben gekregen. De verhalen die ik hoor over de opa’s en oma’s van mijn klanten, voor zover die bekend zijn, ondersteunen dit. In veel gevallen is het leed terug te voeren op oorlogstrauma, maar soms gaat het doorschuiven van hete aardappels nog veel verder terug. De aardappel wordt als zodanig onherkenbaar, maar héét blijft hij. Hete bliksem, zeg maar.

En precies zo heb ik mijn onverwerkte trauma doorgeschoven naar mijn eigen kind. Want ook mijn zoon vertoonde tekenen van traumatisering. In de eerste tien jaar van zijn leven kon ik dat niet onder ogen zien, maar (al was de situatie niet zo dramatisch als bij mijn eigen moeder) toch was ik lange tijd een emotioneel instabiele moeder. Waar had ik het ook vandaan moeten halen? Mijn eigen ouders hebben me niet geleerd hoe je ouder moet zijn en niet de emotionele veiligheid kunnen geven om een stabiele volwassene te worden.

Pas later ben ik actief aan mijn stabiliteit gaan werken zodat ik de moederrol beter kon vervullen. De grootste schade was toen al gedaan, al hebben we vanaf dat moment ook veel kunnen helen. Die schade werd veroorzaakt door het doorgeven van mijn hete aardappel, en die kon deels worden geheeld door het terug verantwoordelijkheid nemen daarvoor. Natuurlijk kon ik dat pas doen nadat ik de lading van mijn eigen ouders naast me had neergelegd – ik heb maar één paar handen. Ik ben god niet!

Fijn, dus die hete bliksem wordt doorgegeven van generatie op generatie en daarmee brandt iedereen zich aan iets wat buiten zijn eigen macht ligt. Wat een k-dynamiek! Wie mag ik daarvan de schuld geven? Als mijn ouders ook maar deden wat ze deden omdat ze trauma met zich meedroegen, gold dat ook voor mijn opa en oma, en mijn over- en betovergrootouders. Waar moet ik dan naartoe met mijn woede, met mijn aanklacht? 
Het enige dat ik kan doen, is stoppen met dragen. Dan hoef ik niet meer boos te zijn. En wat blijft er nog over van mijn eindeloze schuld, mijn grenzeloze verantwoordelijkheid, nu ik weet dat er maar één aardappeltje in die hele hete brij van mij is? Ik kán alleen maar mijn eigen deel doen. Waarmee ik het hele systeem een impuls geef, die het kan oppakken – of niet.

Ja, ik heb een aandeel in de problemen van mijn kind. Net zoals mijn ouders hun aandeel hadden in mijn traumatisering. En hun ouders in die van hen. We hebben als volwassenen allemaal onze verantwoordelijkheid en alleen als we die niet (voldoende) nemen, creëren we schuld. Onze uitdaging is om dat gegeven in de juiste proporties te zien. Ieder een stukje. Alleen je eigen stukje schuld kun je inlossen. Alleen je eigen stukje trauma kun je integreren. Nooit dat van je ouder, laat staan van alle vorige generaties. Speel niet met hete bliksem; je bent god niet en dat hoef je ook niet meer te zijn. Je hebt het al overleefd.