KOPP-blog: Woke avant la lettre

MEER DAN VIJFENDERTIG JAAR GELEDEN
volgde ik op sociale academie de Interculturele Leerroute. Ik was de enige Nederlandse leerling in mijn jaar en gebiologeerd door machtsverhoudingen. In die tijd was ik obsessief bezig met discriminatie, had alleen maar vrienden van kleur en wees mijn eigen witte identiteit af. Wit was immers de vijand. 
Dat ik daarmee vijandig was naar mezelf, kwam niet in mij op. De gekleurde mensen om mij heen zagen dat natuurlijk wel. Ze namen me niet zo serieus. Dat ik het nodig vond om hen te redden, was nogal arrogant eigenlijk. Het zorgde dus niet voor verbinding tussen mij en hen, integendeel. Uiteindelijk viel ik uit de opleiding omdat ik de klas niet meer in durfde. Uitgeput door een strijd die niemand iets opleverde. Angstig omdat ik niet meer wist wie ik dán was.

Wat bezielde mij als meisje van achttien om al mijn energie te steken in het ontmaskeren van witte mensen als racisten? Waarom maakte ik er mijn levenswerk van om de underdog te redden? Een oud-klasgenoot die ik jaren later nog eens ontmoette, zei tegen mij: ‘Je was altijd zo voorkómend.’ Alsof het mijn persoonlijke verantwoordelijkheid was dat geen enkele – in mijn ogen – onmachtige persoon ooit gekwetst zou worden door een – in mijn ogen – machtige persoon. Maar mijn belangrijkste drijfveer was toch om te bewijzen hoe slecht de machthebbers waren. Wakker worden, mensen! Ik was vijfendertig jaar geleden al woke. 

Natuurlijk was dat een reactie op de wereld waaruit ik afkomstig was. Ik had me net ontworsteld aan de macht. Van huis weggelopen, uit het schoolse systeem ontslagen en ontsnapt aan een loverboy. Maar denk je dat ik uit de voeten kon met die vrijheid?
Als ik terugdenk aan die periode, kan ik voelen hoe hartverscheurend bodemloos ik daar was. Een achttienjarige zonder vaste grond, moederziel alleen op een kamertje. Zonder vader, zonder moeder – ze waren er wel, maar niet in functie. Wat had ik die obsessie nodig om overeind te blijven. In mijn woede zat mijn levenskracht. Misschien had ik hier nu niet meer gezeten als ik toen niet zo’n uiterst irritant doorgeslagen typetje was geweest. 

Het heeft nog vele jaren geduurd voordat ik mijn rouw kon nemen over de vele dader/slachtofferdynamieken waarin ik in mijn leven terechtgekomen ben. Als kind ben ik – zoals zoveel KOPP’ers – als slachtoffer niet gezien en niet erkend. Omdat daar trauma onder zat, kon ik mijn eigen slachtofferschap ook lange tijd niet erkennen: ‘slachtoffer’ was een vies woord. Want beladen met angst en pijn.
Al die tijd bleef daarom in mij de drive aanwezig om de machtigen te ontmaskeren. Fanatiek, ongenuanceerd en met een lading die lang niet altijd in overeenstemming was met de situatie. Daarmee werd ik zelf ook dader! Zodra je zo moreel superieur bent dat een ander zich niet meer durft te uiten in jouw tegenwoordigheid, ben je zelf dader geworden.
Pas toen ik ging rouwen over mijn eigen onmacht en kwetsbare hulpeloosheid in al die situaties, verdween de drang om andermans slechtheid te bewijzen.

Veel KOPP’ers kennen de dader/slachtofferdynamiek maar al te goed en komen er ook steeds weer in terecht. Parentificatie is een voedingsbodem. 
Onder machtsmisbruik zit altijd trauma. Er is geen dader die niet eerst zelf slachtoffer was, en als zodanig getraumatiseerd. De slachtoffers van nu zijn de potentiële daders van morgen. We kunnen deze cirkel alleen doorbreken door allemaal onze eigen rouw te nemen. 

KOPP-blog: open je hart

ALS ER ÉÉN VAARDIGHEID PRECAIR IS,
is het wel het openen van je hart. Doe je dat niet, dan ben je gedoemd om een eenzaam leven te leiden. Doe je het te gemakkelijk, dan raak je beschadigd. Ik zie de twintigjarige voor me die ik ooit was: hoog in mijn energie, hoopvol, open, het hart op de tong. Ik gaf het weg aan iedereen die het wilde aanpakken. Die kreeg dan meteen mijn hele levensverhaal, plus de verantwoordelijkheid om het allemaal goed te maken. Ik was als een hunkerend kind dat genoegen neemt met iedere beschikbare volwassene, als is die nog zo ongeschikt. 

Dit gedrag vroeg natuurlijk om een grens. En als ik die dan kreeg, werd ik een verongelijkt kind dat meent recht te hebben op genoegdoening. De schouders naar voren gevouwen, het hoofd ingetrokken, smekend maar ook kwaad onder de wenkbrauwen vandaan loerend. Ik zie dat meisje zó voor me. En zo’n claim is nogal irritant voor degene die ermee opgezadeld wordt. Dus als die ander niet in staat was om liefdevol te begrenzen, wat meestal het geval was, had die geen andere keuze dan het sluiten van het hart en afstand nemen.

En oeioeioei, als dat gebeurde, dan ging ik vanbinnen helemaal los. Want ik was al vroeg, en ook voor veel te lange tijd, slachtoffer van onmachtige volwassenen met gesloten harten. Het is dus niet meer dan logisch, en ook terecht, dat er heel wat woede in mij was. 
Woede met een open hart is openhartig, dus als ik die had durven uiten, had ik vast recht gehad op de diagnose borderline. Maar ik had mijn schouders al om mijn hart gevouwen. Woede uiten was in mijn ervaring levensgevaarlijk. Dus ik sloeg hem naar binnen, waar hij vervolgens vrij rond kon woekeren als zelfhaat.
Tot ik weer iemand tegenkwam die beschikbaar leek, dan begon het spelletje opnieuw.

Dit soort dynamieken in de jongvolwassenheid komt niet uit het niets. Ze vertellen een verhaal over de eerste levensjaren en zijn een herenscenering van jong trauma. Daarom zie ik ook kinderen voor me als ik mijn gedrag van die tijd beschrijf; ik was nog een klein meisje toen deze strategieën ontstonden. Toen ik een jongvolwassene was, was er in mijn omgeving niet zoveel mis. Maar in de basis van mijzelf des te meer. En dat werd weer helemaal wakker toen ik als jongvolwassene geacht werd om voor mezelf te zorgen.

Ooit werd ik dus geboren met het hart wijd open, zoals dat hoort. Helemaal klaar voor het liefdevolle welkom in de wereld waar ik recht op had. En dat kreeg ik – soms. Maar veel te vaak kreeg ik ook niets. Mijn moeder had wanen en vergat mij regelmatig gewoon. Dus met mijn open, gevoelige hart tastte ik dan in het niets. Dat is ontzettend beangstigend voor een zuigeling en een jong kind. Mensenkinderen worden hulpeloos geboren en hebben om te overleven de intensieve (ook emotionele) zorg nodig van een liefhebbende ouder. Als die er niet, of onvoldoende is, ontstaat doodsangst en daarmee trauma. Want doodsangst is overweldigend en baby’s kunnen niet vechten of vluchten van hun ouders. Dus de ervaring moet worden bevroren. 
Een in wagenwijd open stand bevroren hart. De oorspronkelijke ervaring was in mijn eerste levensjaren. En daarmee confronteerde ik als twintiger iedereen die zich niet afschermde.

Ook het sluiten van het hart is een beweging die ik al eerder gemaakt had. Een kind dat te lang tevergeefs uitreikt, houdt daar op een gegeven moment mee op. Als die broodnodige liefdevolle zorg te vaak of te lang niet komt, dan wordt het kind eerst woedend en eisend (verongelijkt). Daarin zit nog de hoop dat het goed komt. Mijn moeder was onvoorspelbaar, soms kreeg ik ineens wél wat ik nodig had. Ik ervaarde dus dat het hielp om verongelijkt te zijn. Het hart beschermd door de schouders, nog niet helemaal gesloten maar wel moeilijk toegankelijk. Graaiend naar de kruimels en wachtend op betere tijden.

Later ervaarde ik dat het geen zin had om uit te reiken. Ik trok mij terug en sloot mijn hart. Fysiek zag dat eruit als een kromme rug, naar voren gevouwen schouders en een naar voren uitgestrekt hoofd. Met gesloten hart vooruit ploeterend, zoiets. Als ik die houding nu weer aanneem, voel ik hoe benauwd die is. Er is weinig ademruimte en al helemaal geen plek voor mijn maag. Alle energie naar het hoofd, het is dan ook niet verbazend dat ik veel migraine had. Door het aannemen van de houding kan ik terugkeren naar de gevoelens die daarbij hoorden. Met als doel het ervaren van de kramp waarin ik geleefd heb, zodat ik daar nu met mededogen naar kan kijken.

Het openen en sluiten van het hart is een vaardigheid. Het is niet nodig en ook niet wenselijk om je voor iedereen maar open te stellen. Leren begrenzen is van levensbelang. Het is ook niet nodig en niet gezond om je hart structureel te sluiten. Een mens kan niet gelukkig zijn zonder zich te verbinden, met zichzelf, met de ander of met God, als dat een optie is. 
Er moet dus een gezond evenwicht zijn tussen openen en sluiten, en óók tussen geven en ontvangen. Als je moeite hebt met geven, is dat bij KOPP’ers meestal omdat je niet kunt ontvangen. Je kan immers alleen maar geven als je iets te geven hébt, vanuit een gevulde bron dus. De uitdaging is dan eerst om te leren ontvangen.

Het is best spannend om deze evenwichten te zoeken. Om te durven experimenteren met het openen van het hart en met geven en ontvangen. Wat daarbij heel behulpzaam is, is dat er dus drie niveaus zijn waarop je kan oefenen. Met jezelf, met de ander of met God (je hogere zelf, de bron, het universum, hoe je het ook wilt noemen) als dat een optie voor je is. Begin dus vooral met oefenen op het niveau dat voor jou het gemakkelijkst is. 

En hoe doe je het letterlijk? Dat kan op veel manieren, maar dit is de eenvoudigste: door de houding aan te nemen. Probeer het maar eens uit. Recht je bovenrug. Touwtje aan je kruin. Je kan je armen ietsjes schuin naar onderen en opzij strekken met je handpalmen naar voren. Dit is een heel open houding, wees maar nieuwsgierig wat er dan gebeurt. En heb je iets met God, het universum of het hogere zelf, des te beter! Dan kan je in deze houding ook je hoofd wat naar achteren brengen. Overgave. In deze houding kan je de universele goedkeuring en liefde ontvangen waar jij recht op hebt als mensenkind. 

Als jouw welkom in het leven niet zo liefdevol was, als je je niet gedragen gevoeld hebt, kan je misschien voelen dat de verbinding met jezelf, met de ander of met het ‘hogere’ jou alsnog – beetje bij beetje – die ervaring kan geven. Met (mogelijk) al het verdriet dat erbij komt kijken als je eindelijk iets ervaart van wat je zo gemist hebt.

Vind je dit supergênant, dan doe je het lekker niet. Onthou dan maar gewoon dat gevoelens lichaamshoudingen sturen, én dat het evengoed andersom werkt: lichaamshoudingen kunnen gevoelens oproepen.

KOPP-blog: fropskottel

KEN JE DE GVR?
De Grote Vriendelijke Reus, uit het gelijknamige boek van Roald Dahl, is gek op fropskottel. De cola uit de reuzenwereld waarvan de belletjes omlaag zakken in plaats van, zoals in onze wereld, naar de oppervlakte stijgen. Als je flink wat inneemt van dat heerlijke brouwsel, ga je natuurlijk niet boeren. Dat zou trouwens ook erg onfatsoenlijk zijn in de reuzenwereld, daar mag je niet eens over praten. Gelukkig, zegt de GVR, komen de belletjes van fropskottel er aan de andere kant uit en dat leidt tot luidruchtige tekenen van geluk, flitspoppers genaamd. Sofie, afkomstig uit de gewone mensenwereld, heeft daarover thuis toch iets heel anders meegekregen. Dat vindt ze nogal verwarrend. Want wat is nou waar?

Als je je hele leven hebt meegekregen dat scheten laten onfatsoenlijk is maar dat boeren er wel mee door kunnen, en misschien zelfs wel grappig zijn, dan kan je niet zomaar ombekommerd je flitspoppers laten vliegen, zelfs niet na het drinken van fropskottel. Je lichaam houdt dat actief tegen. Er zit dan een kramp op het laten van scheten.

Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, gewenst of ongewenst, wat de buitenwereld ooit vond van onze gedragingen zit diep ingeweven in onze persoonlijkheidsstructuur en zelfs in ons lichaam. Schaamte is een zeer sterke emotie. Een klein kind dat afgekeurd wordt, ontwikkelt schaamte als overlevingsmechanisme. Door de grond willen zakken, je onzichtbaar maken, dat is je beweging bij afkeuring door degene(n) van wie je voor je leven afhankelijk bent. Die schaamte en zelfafkeuring nestelt zich in de structuur van het kind en wordt diens waarheid.

Sofie had haar ouders helemaal niet nodig om alsnog hun afkeuring en de gêne te voelen toen haar flitspoppers zich aandienden. De overtuiging dat scheten laten onfatsoenlijk is, had zij al geïnternaliseerd. Met andere woorden, dat wat je in je eerste levensjaren meekrijgt, blijft je blauwdruk waarop je je kompas hebt afgesteld. Ook als je ouders er niet bij zijn, of niet meer bestaan.
Maar Sofie ziet ook de GVR joelend door de lucht schieten als vuurwerk, en wie wil dat nou niet?

Zij raapt haar moed bij elkaar, drinkt de fropskottel en transformeert haar schaamtevolle angst voor flitspoppers met behulp van de GVR, die haar laat zien hoeveel lol je ervan hebt als je ze gewoon de ruimte geeft. Zo wordt het verlangen groter dan de angst en even later schiet ook Sofie door de lucht, gelanceerd door een vrolijke flitspopper.
Ze verzet haar kompas. Farting is fun!

Als ze in de reuzenwereld zou blijven en zich daar onveilig zou voelen, zou ze zich wederom moeten aanpassen en boeren op haar beurt onbehoorlijk gaan vinden. Maar als Sofie vrij is, bepaalt ze op een dag zélf de richting van haar kompas. Niet zoals Jantje of Pietje, maar zoals bij háár past. Want wie zegt dat je het kompas van een ander moet volgen? Zolang je afhankelijk of onveilig bent, ja. Maar daarna niet meer!

Dus dat staat je te doen als je volwassen bent: je kompas aan jezelf ijken. Oude angst en schaamte zitten sterk verankerd in je zijn. Dus nee, gemakkelijk is het niet. Er komt bovendien rouw bovendrijven als je je oude overtuigingen loslaat. En toch: erachter ligt een aantrekkelijke vrijheid en het verlangen daarnaar is besmettelijk. Wie wil er nou niet flitspoppen?

KOPP-blog: aansteller of hooggevoelig?

OOIT WAS, IN MIJN KLAS,
de juf even de deur uit voor het één of ander, en werd de sfeer baldadig. Er vlogen pennen door de lucht en er was veel gegil en gelach. Ik herinner me dat ik riep: ‘We moeten hiermee stoppen, anders krijgen we zo meteen op onze kop!’ Een meisje reageerde gnuivend: ‘Nou, als je dat al op je kop krijgen noemt, dan snap ik wel dat jij thuis zo vaak op je kop krijgt!’ 
Zo. Daar kon ik het mee doen. Ik was een aansteller. Waar ik eerder nog wel wat medeleven kreeg van klasgenootjes vanwege het feit dat ik geen moeder en wel een ‘strenge vader’ had, was dat hiermee voorgoed afgelopen. Ik was gewoon een aansteller die niks kon hebben. 

Eén-en-dezelfde gebeurtenis doet de ene persoon helemaal niks, terwijl de andere er volledig van over de rooie gaat. Als dat laatste gebeurt, hebben de meeste mensen daar onmiddellijk een mening over. Watje, drama queen, aansteller. Het zou nog heel lang duren voordat ik ontdekte dat mijn vaak buitenproportionele reacties niets met aanstellerij te maken hadden. En ook niet met hooggevoeligheid. 
Stel dat iemand begint te krijsen na een plaagstootje tegen een arm. Niemand die het weet, het is onzichtbaar, maar die arm is eerder gebroken en zo goed en zo kwaad als dat ging weer aan elkaar gegroeid. En weer gebroken en zo’n beetje geheeld, en weer. Hoe vaker deze arm nog zonder afstemming wordt aangeraakt, hoe groter de kans dat je er op een dag niet eens meer naar mag wijzen. Die arm is erg gevoelig geworden, zelfs voor suggestie. Er zit een angstkramp op.

Ik was bang voor het plaagstootje van de juf. En het gnuivende meisje deelde daarop nog een keiharde klap uit aan mijn ziel(ige armpje). Op zich misschien niet erg genoeg om mij een halve eeuw later nog te herinneren. Maar in de context was deze ervaring overweldigend voor het kind dat ik was. Het betekende dat ik ophield met uitreiken naar leeftijdsgenoten.

Waar het hier over gaat, is niet aanstellerij, en ook niet hooggevoeligheid. Het gaat over hertraumatisering. Eén van de gevolgen van trauma is dat het vaak vele echo’s heeft. Hertraumatisering is zo’n echo. 
Ik weet het, trauma vinden we al gauw een veel te zwaar woord. Ik hoor vaak een verontwaardigd: ‘Iedereen roept maar dat hij trauma heeft.’ De aanleiding lijkt ons niet erg genoeg. Nee, dûh. We zien namelijk alleen het plaagstootje, niet de gebroken arm. 

Het is een groot misverstand dat trauma moet gaan over een gebeurtenis die ‘erg genoeg’ is. Ten eerste is trauma niet een gebeurtenis, maar de reactie van het lichaam op een gebeurtenis. Ten tweede heeft trauma de eigenschap dat het zich herhaalt. Het echoot en echoot maar na in je leven. Totdat je het integreert. 
Dat integreren is trouwens ieders eigen verantwoordelijkheid. Het is dus niet zo dat je het recht hebt om schreeuwend en krijsend door het leven te gaan, of anderen aan te klagen als ze naar je arm wijzen. Als je dat wél doet, traumatiseer je je omgeving en/of je kinderen. Daar weten wij KOPP’ers alles van.

Nou hoor ik sommige mensen denken: oké, ik ben dus geen aansteller. Maar ik ben wel degelijk hooggevoelig. Dus, wat heeft die Kassandra tegen hooggevoeligheid? 
Daar kijk ik zo naar: Jouw arm is gevoelig omdat die beschadigd en gebroken is. Jouw lichaam en zenuwstelsel zijn gevoelig omdat je een traumatische alertheid met je meedraagt. Bijna alle KOPP’ers zijn hooggevoelig geworden, uit pure noodzaak. Niet omdat zij zulke uitzonderlijke personen zijn.

Ego verschuilt zich graag achter etiketjes: ‘Ik ben hooggevoelig, daar kan ik niks aan doen, dus de mensen moeten maar rekening houden met mij.’ Zo’n overtuiging is weliswaar lekker ontschuldigend, maar ook belemmerend voor je ontwikkeling. Je hoeft er dan zelf geen verantwoordelijkheid voor te nemen. Zo kan je de angst en de pijn altijd uit de weg gaan. 
Doet dit zeer, of maakt het je boos? Dan is het waarschijnlijk op jouw ego van toepassing. En dat is helemaal niet erg. We hebben allemaal te maken met onze ego’s. Niks om jezelf over te veroordelen, ook niet iets om jezelf zielig over te vinden. Ego ís er gewoon, die hadden we ooit nodig om te overleven. Dat betekent nog niet dat we hem moeten blijven geloven.

Neem je pijn bij plaagstootjes serieus, maar ook weer niet zo serieus dat je jezelf als prins(es) op de erwt gaat of laat behandelen. Als je die pijn onder ogen leert zien, brengt hij je naar je oorspronkelijke verwonding, zodat je die kan integreren. Iedereen heeft trauma. Bij KOPP’ers is dat alleen substantiëler en vooral vaak chronisch. Maar nog steeds goed te integreren. 

KOPP-blog: iets in mij

MIJN HOND BOBBY
loopt van de week een nare verwonding in zijn keel op doordat hij op een stok zit te knauwen waar kennelijk een scherpe zijtak aan zit. Ik zie het niet gebeuren, ik hoor alleen een harde gil. Oei, ongelukje. Of erger? Vrienden hebben vorig jaar hun jonge hond moeten laten inslapen na een soortgelijk ongeval. Bij hen was de tak met kracht in die hondenbek gevlogen. Dat is bij Bobby niet zo, maar toch. En het is niet alleen míjn hond, maar ook die van mijn vriendin.
Ik beleef veel plezier aan Bobby, en de verantwoordelijkheid valt mij soms ook zwaar. Altijd ervaar ik een subtiele opluchting als hij zijn wekelijkse swap maakt van mij naar mijn vriendin – dan kan ik hem even niet verwaarlozen, laten verongelukken of iets anders verkeerd doen, waardoor hij zou lijden. Zoals mijn moeder met mij deed. Niet expres, maar vanuit grote onmacht.

Na die gil schiet ik dus in de stress. En dan gaan de stemmetjes aan. Emotionele achtbaan in mijn hersenpan.
Mijn vriendin vermoordt me! Zij houdt misschien nog wel veel meer van hem dan ik. Want houden van, tja, kán ik dat eigenlijk wel? Waarom zou ik anders iedere week blij zijn als ik van hem af ben? Ik hou natuurlijk helemaal niet van hem.
En daarna: Misschien gaat hij wel dood, dat zou een opluchting zijn! Ik hoop dat hij doodgaat. Dan neem ik geen nieuwe hond meer, hoor. Zie je wel, ik houd niet van hem. Ik ben slecht. Hoe kan ik mijn eigen hond nou dood wensen?
Ze vermoordt me! Of ze wil me zeker nooit meer zien. Ik val door de mand, nou ziet ze dat ik echt slecht ben. Ik maak andere mensen stuk, want ik kan van niemand houden. En ik blijf alleen en hulpeloos achter. En dat is dan mijn eigen schuld.

Dit is te groot. Error in mijn hersenpan.
Weet je wat? Ik doe lekker of er niks gebeurd is. En ik schakel mijn gevoelens uit.

Eenmaal thuis blijkt dat ik toch echt actie moet ondernemen. Dus ik activeer mijn volwassene, ik doe het nodige, dierenarts bezoeken, vriendin bellen, die mij – tot verbazing van de stemmetjes – niet eens ter plekke door de telefoon sleurt, noch de relatie verbreekt. Ze is ongerust en geschrokken natuurlijk, net als ik. Met de hond onder narcose kan ik zien dat de punt van een zijtak een gat gemaakt heeft naast zijn keelgat. Er zit geen hout meer in het gat, dus de dierenarts maakt het schoon en geeft mij antibiotica mee. En een slappe hond.
Vier dagen later rent en speelt Bobby weer. 

En ik heb met deze gebeurtenissen weer eens een goede gelegenheid om mijn jongste stemmetjes aandacht te geven. Die komen alleen bij grote stress. Ik ken ze allemaal, en als ik de teksten hierboven nalees, zie ik duidelijk hoe jong hun woordkeus is. Als ze überhaupt al over woorden beschikken. Ik noem ze stemmetjes, maar dat komt doordat ik ze ken en woorden heb gegeven. Ik hoor niet werkelijk stemmen, al denk ik dat het bij mensen die wél echt stemmen horen, precies hetzelfde werkt. Deze ikjes hebben vooral sterke gevoelens, de jongsten bestaan alleen uit schaamte en angst. Ze gaan niet over nu, maar over vroeger. Ieder stemmetje ervaart en verwoordt iets in mij. Ik bén dat niet, ik héb dat. Toen ik dat nog niet wist, veroordeelde ik mezelf steeds weer keihard. Nu niet meer.

Het stemmetje dat het allemaal zó zwaar vindt dat ze hoopt dat de hond doodgaat, is mijn vierjarige ikje dat ooit de verantwoordelijkheid droeg voor mijn tweejarige zusje. De stress van het meisje dat ik toen was, was zo groot dat ze er bijna onder bezweek. De omstandigheden waren onveilig, ik was machteloos tegen volwassenen die niet allemaal het beste met ons voorhadden. Ik was verantwoordelijk voor zowel mijn zusje als mezelf. Niet zo gek dat ik verlangde naar een verlichting van mijn last. Desnoods door de dood.
Vooral omdat ik ook nog geloofde dat ik beschadigend was voor de mensen om mij heen. Mijn moeder was immers gek geworden. Dat moest wel mijn schuld zijn, van wie anders? Dat stemmetje is van een nog jonger deel, een jaar of twee. Het ligt woordeloos (de woorden heb ik pas tientallen jaren later gevonden) ten grondslag aan de angst om mij met anderen te verbinden. Ik mócht helemaal niet van anderen houden. Als ik dat wel deed, bracht het alleen maar ellende. Mensen vielen dan om, gingen schreeuwen of (een iets ouder stemmetje) maakten misbruik van mijn behoefte aan nabijheid.

Wat bevonden wij ons toen, vlak na de opname van onze moeder, in een afschuwelijke situatie. Het gezin uiteengevallen, drie kinderen van onder de vijf tijdelijk ondergebracht in pleeggezinnen. Een kluwen aan in elkaar grijpende traumatische ervaringen, langdurige dreiging van verschillende kanten. Ik voel nu een groot mededogen met het wanhopige, dappere kind dat ik toen was. 

Wat we in onze jongste jaren meemaken, maakt stevige verbindingen aan in ons brein. Onze blauwdruk van het leven. Als die verbindingen veilige, plezierige en levendige sporen vormen, is dat fijn. Strik erom en niks meer aan doen. Maar als het traumasporen zijn, raken we daar telkens als er stress is, ook als we al lang volwassen zijn, opnieuw in vast. Dat is normaal, zo werkt ons brein. We grijpen steeds terug op onze blauwdruk. Ook bij mij gebeurt dat dus nog steeds. 

Ik kan mijn verleden niet veranderen. Wel heb ik geleerd om ermee om te gaan door mijn volwassene te activeren. Een heel krachtig hulpmiddel daarbij is de tekst: Iets in mij. 
Als ik mijzelf betrap op zo’n beschamende gedachte als ik hoop dat hij doodgaat! herformuleer ik vriendelijk: Iets in mij hoopt dat hij dood gaat. Als ik het zo verwoord, vallen het oordeel en de schaamte meteen weg. Dan kan ik onderzoeken hoe het komt dat dat iets zich zo voelt. En dan blijkt onder die wanhoop een zuivere, liefdevolle bedoeling verscholen te liggen.
Ik word, als ik die woorden gebruik, de observator van het iets in mij. En die observator is van levensbelang. Dat is mijn volwassen ik. Dat wat vroeger op cruciale momenten niet voor mij beschikbaar was, een liefdevolle, capabele volwassene, activeer ik nu met de formulering: iets in mij.

Probeer maar uit! En weet, oefening baart kunst. Je schept niet in vijf minuten even een volwassene. Je activeert de volwassene die al in jou aanwezig is. Misschien is die nu nog volledig op de achtergrond omdat jouw ‘stemmetjes’ (=stemmingen) het toneel beheersen.

Daar geloof ik niks van -> iets in mij gelooft daar niks van
Dat kan ik natuurlijk niet -> iets in mij denkt dat ik dat natuurlijk niet kan
Ik word verdrietig van dit verhaal -> iets in mij wordt hier verdrietig van

KOPP-blog: omgaan met triggers

IN MIJN VORIGE BLOG
legde ik uit dat het normaal is dat je soms geconfronteerd wordt met een jongere versie van jezelf, die jou ineens helemaal kan overnemen. Dit gebeurt naar aanleiding van een trigger. To trigger betekent letterlijk: op gang brengen. Er is dus een situatie, en dat kan iets heel kleins zijn, zoals de blik in iemands ogen of een geur die je ruikt, die een oude reactie op gang brengt. Een herbeleving.
Triggers ontstaan alleen als er trauma is. Bij trauma is er namelijk een oude beleving die nog niet is afgerond, daarom keert hij terug. Zodat je hem alsnog kan afronden. Zo’n herbeleving heeft dus een functie.
Er bestaan veel clichébeelden over herbelevingen, bijvoorbeeld deze: een soldaat die, pas teruggekeerd uit de oorlog, weer naast zijn vrouw slaapt en haar ineens agressief aanvalt midden in de nacht. ‘Oeps, foutje! Ik dacht dat je de vijand was.’ 

De meeste herbelevingen zijn een stuk minder dramatisch. In ons land is er meestal geen sprake van direct oorlogstrauma, maar wel vaak van trauma in de hechting. De jongere versie van jou die dan verschijnt zal dus geen agressieve soldaat zijn, maar eerder een kind in nood. Woedend, verdrietig, hulpeloos en/of angstig. Omdat je meestal geen cognitieve herinnering hebt aan die eerste gebeurtenis, zal je je ook niet realiseren dat het hier om een herbeleving gaat.

Niemand ontkomt aan enig trauma in de hechting. Triggers zijn dus ook heel gewoon. Half Nederland is momenteel getriggerd door de corona. Heb je vooral last van de maatregelen en ben je daar nogal fanatiek over? Herbeleving van gevoelens van onmacht met strenge of juist wiebelige ouders (al naar gelang wat je van de maatregelen vindt). Heb je vooral last van de dreiging van een dodelijke ziekte, die door andere mensen wat minder serieus genomen lijkt te worden dan door jou, en ben je daar nogal fanatiek over? Herbeleving van gevoelens van onveiligheid in het gezin en daarover niet gehoord worden. Werk je als KOPP’er in de zorg, dan is de kans groot dat de te grote belasting wegens onderbezetting zeer triggerend voor je is. Je wordt dan soms even weer het kind dat vér over zijn of haar grenzen moet gaan omdat de boel anders in elkaar dondert.

Helaas doen we in onze cultuur structureel zo weinig aan emotionele ontwikkeling dat de meeste mensen zich hier totaal niet van bewust zijn. Wij nemen onszelf en onze belevingen meestal erg serieus, terwijl die lang niet altijd synchroon lopen met de realiteit van nu.
Dat geldt voor iedereen, met of zonder KOPP-achtergrond. Alleen wij KOPP’ers hebben meer trauma dan de gemiddelde persoon, en daarom doen we vaker (noodgedwongen) aan emotionele ontwikkeling. Vandaar dat jij nu deze blog zit te lezen. En dat is dan weer goed nieuws, want dan ga jij misschien wel actief met je triggers aan de slag.

Triggers zijn erg ontregelend, op zijn zachtst gezegd. Het is dus een belangrijke vaardigheid om ermee te leren omgaan. Als je er het juiste mee doet – de oorspronkelijke ervaring afronden – verdwijnt de trigger. Die heeft dan geen functie meer. 
Dus laten we de emotionele reacties op de coronapandemie, in welke richting dan ook, als voorbeeld nemen. Als je voelt dat je fanatiek wordt, ben je getriggerd. Dat is geen schande, geen misdaad, niets om je voor te schamen. Het betekent alleen dat er trauma is. En dus: werk aan de winkel.

Een trigger zet een herbeleving in gang. Van de emotionele lading die je voelt, hoort 90% thuis in het verleden. Omdat je zelf nog zo klein was, zijn de gevoelens zo ontzettend groot. Er is geen ruimte voor enige nuance, die hebben kleine kinderen namelijk nog helemaal niet. Je wordt fanatiek, het voelt alsof je leven ervan afhangt. Omdat dat vroeger werkelijk zo was. Je was namelijk een kind in emotionele nood. Maar een moordlustige peuter in een volwassen lichaam is behoorlijk beangstigend.
Slechts 10% van de lading die je voelt hoort thuis in het hier en nu. De maatregelen ZIJN vervelend en corona IS een pandemie. Daar moeten we allemaal iets mee. Sommige mensen moeten iets met het feit dat er een pandemie is (maatregelen verzinnen), anderen moeten iets met die vervelende regels (naleven… of niet?). Pakweg 10% van je emotionele lading, als je getriggerd bent tenminste, hoort thuis in het hier en nu. 
Ben je niet getriggerd, dan ervaar je alleen die 10%. Best een issue, die corona. Heus wel zorgelijk, en het brengt allerlei moeilijke dilemma’s met zich mee. Je zorgen maken, ja. Maar je hoeft er niet moordlustig door te worden, dat is buitenproportioneel.

Dus nu de hamvraag: hoe kan je het beste omgaan met triggers?
Stap 1: als je vermoedt dat je getriggerd zou kunnen zijn, check dan of je reactie in verhouding staat tot de gebeurtenis. Soms weet je dat niet zo goed, dan kan je dat onderzoeken, bijvoorbeeld door het bij andere mensen na te vragen. Op den duur ga je het gevoel wel herkennen van wanneer jouw reactie in of juist buiten proportie is; oefening baart kunst.
Stap 2: pas de 90/10-regel toe. Wat is de tien procent? Welke emotionele lading is wél gepast in deze situatie? Als je helaas meer hebt laten zien dan die tien procent die gepast was, kan je achteraf altijd je verontschuldigingen aanbieden aan de persoon die daarvan de dupe geworden is. Daarmee neem je zelf de verantwoordelijkheid voor je gedrag, wat reëel is voor een volwassene. 
Stap 3: geef je aandacht aan de 90% oude lading. Dat is eigenlijk de meest belangrijke actie, omdat je de oude beleving daarmee kan afronden zodat hij niet meer terugkeert. Je weet dat dit oude pijn is, al weet je heel vaak niet waarover. Dat is bij vroegkinderlijk trauma nou eenmaal veel minder duidelijk dan bij het oorlogstrauma van een soldaat.

Met die oude pijn kan je leren werken. Het enige dat je eigenlijk hoeft te doen, is het voelen ervan in je lichaam. Al weet je hoofd niet waarover dit gaat, jouw lichaam weet precies wat het moet doen. Dat wérkelijk toelaten en doorvoelen is eigenlijk al genoeg. 
Je kan dit zelf doen of je erbij laten begeleiden. Zelf begeleid ik mensen in dit proces zodat ze het daarna zelf kunnen toepassen; volgens mij is dat de meest duurzame manier. Want het gaat niet helemaal over, er blijven altijd triggers komen – al zullen het er wel minder worden. Hoe meer oefening je hebt gehad in het omgaan ermee, hoe gemakkelijker dat je zal afgaan.

KOPP-blog: waar rook is, is vuur

KEN JE DAT?
Je weet zeker dat je je collega/buurman/partner, of wie dan ook, nou eens precies gaat vertellen hoe je erover denkt. Je hebt de zaken volkomen helder. Je hebt de woorden gerepeteerd. En als puntje bij paaltje komt, laat je gewoon weer over je heen lopen, precies zoals altijd. En je vraagt je af: ben ik een lafaard? Een watje? Een slappe sukkel?

Oh, wat heb ik lang gedacht dat ik een slappe sukkel was. En omdat ik de zaken op andere momenten wél volkomen helder had, dacht ik ook nog dat ik gek was. Als ik me moedig en helder voelde, zette ik zaken in gang die ik, zodra het tijd was om de acties te ondernemen, helemaal niet aandurfde. Of zelfs niet meer begreep. Dat leidde tot zulke beangstigende, vernederende en stressvolle situaties dat ik uiteindelijk maar besloot om geen zaken meer in gang te zetten. Ik kan je vertellen dat zo’n besluit je wereld heel klein maakt.

Wat gebeurt er hier nou eigenlijk? Die vraag krijg ik vaak, want dit overkomt veel KOPP’ers regelmatig. Nou, hier komt ‘ie: we hebben verschillende delen in ons. 
En nee, dat is niet gek. Iedereen kent deze delen, in hun onschuldigste vorm worden ze ‘buien’ genoemd. Alle mensen hebben zo hun buien, een kritische bui, een rebelse bui… Iedereen heeft dus vanbinnen zoiets als een criticus, een rebel, een verstandige, een avontuurlijke, die in zo’n ‘bui’ actief wordt. Bij de meeste mensen leven deze verschillende delen in relatieve vrede met elkaar, zodat het niet zo opvalt dat ze er zijn. Maar bij KOPP’ers komen ze onderling vaak in conflict en dat geeft een hele hoop onrust. 

De delen ontstaan door (vroegkinderlijk) trauma. Trauma maakt dat er een splitsing ontstaat in onze persoonlijkheid. Er blijft een gezond deel aanwezig, maar er komen ook een traumadeel en een overlevingsdeel bij. Dus neem het voorbeeld van hierboven: jouw gezonde deel weet precies hoe het voor jou zit en kan dat helder uitleggen. Maar zodra je tegenover je collega/buurman/partner – of wie dan ook – zit, is dat gezonde deel ineens nergens te bekennen en je bent helemaal gericht op wat de ander van jou wil of verwacht. In een milliseconde heeft een ander deel van jou het overgenomen. Je kent dat overlevingsdeel vást goed, je noemt het de sukkel, lafaard of watje. Maar daarmee doe je jezelf geen recht. De sukkel is namelijk eigenlijk een held: hij/zij heeft gezorgd dat jij kon overleven.

Dat zit zo. Dit specifieke overlevingsdeel is degene die zich altijd aanpast aan de ander. Je aanpassen aan papa en mama, precies het juiste gedrag laten zien, dat was vroeger misschien wel de enige manier om veilig te zijn in jouw gezin van herkomst. Veel KOPP’ers hebben daarom uitstekend ontwikkelde antennes die feilloos aanvoelen wat het is, dat die ander van hen wil. 

Dat aanpassende overlevingsdeel houdt het hele besef van wie-jij-zelf-bent en wat-jij-zelf-wilt effectief buiten de deur. Met je collega/buurman/partner, of wie dan ook, is dat mechanisme dus wel erg onhandig. Waarom zet je nu nog steeds overlevingsgedrag in terwijl het gevaar al geweken is?

Daarvoor moeten we kijken naar het traumadeel. Dat draagt de herinnering aan de traumatiserende gebeurtenis(sen). Het traumadeel weet nog heel goed wat er vroeger gebeurde als jij uiting gaf aan je eigen gevoelens of impulsen. Dan dreigde er iets. Er was geen ruimte voor. Papa of mama werd boos. Of ze raakten van slag, wat misschien nog wel erger was. In ieder geval was wat er dan gebeurde voor jou als baby of klein kind zo bedreigend, dat het overweldigende gevoelens bij jou teweegbracht. En met die overweldigende gevoelens kon je niet leven; een kind in doodsangst kan zich niet ontwikkelen. Dat is de reden dat er een overlevingsdeel ontstaat. Dat vormt als het ware een pleister die de open wond van het trauma beschermt. Dit mechanisme heeft wel een prijs: die pleister verhindert de wond ook om te genezen. 

De belangrijkste taak van het overlevingsdeel is om het traumadeel verborgen te houden. En de enige duurzame manier om het overlevingsdeel te laten stoppen met die taak, is het traumadeel juist wél te zien. En het aandacht, erkenning en medeleven te geven. Als je dat doet, komt er een natuurlijke korst op de wond en groeit hij dicht. Dan is er geen overlevingsgedrag meer nodig.

Dus als je helaas achteraf wéér moet constateren dat in het gesprek met deze collega/buurman/partner – of wie dan ook – jouw overlevingsdeel actief werd, kan je jezelf voor je kop slaan en uitschelden. Maar waar rook is, is vuur. Als er overlevingsgedrag tevoorschijn komt, weet je zeker dat er trauma onder ligt. 

Hoe je daar dan wél mee omgaat? Dat lees je in mijn volgende blog. Begin maar vast met wat aardiger voor jezelf te zijn.

N.b.: niet iedereen heeft dezelfde overlevingsstrategie. Gebaseerd op wat ik in mijn praktijk zie, zou ik zeggen dat zo’n 80% van de KOPP’ers zich in deze aanpassende strategie herkent.

KOPP-blog: het belang van samen

PAS OP! JE BENT GEWAARSCHUWD!
In mijn praktijk zou je aangestoken kunnen worden met verkoudheid. Of met permissie, ja zelfs met mededogen. Je zou een griepje kunnen oplopen. Of – wellicht – een warm gevoel. Je zou COVID19 kunnen meenemen. Ik wijs geen ongevaccineerden de deur. Maar de kans is veel groter dat je inzicht meeneemt, en hoop, en dat je nieuwe ruimte ervaart omdat je je eindelijk gehoord voelt. 
Mijn hond is een heel goede assistent. Voor klanten die dat willen tenminste, en vooral voor wie het mens-menscontact spannend is. Als je binnenkomt en gaat zitten met alle sores en stress van de dag, van de reis of van het contact maken met mij (brrr.. een ander mens), komt hij bij je staan co-reguleren. Als jij je daarvoor openstelt, brengt hij jouw zenuwstelsel in een vloek en een zucht weer naar standje russsssst. 

Co-reguleren en zenuwstelsel, daar wilde ik het vandaag eens over hebben. Of met meer dagelijkse woorden: samenzijn en verbinden en de aansturing van activiteit en rust.
Ons zenuwstelsel is verantwoordelijk voor de mate van activering van ons lijf en brein. Het kan ons lichaam dus activeren, als we ’s ochtends uit ons bed moeten komen bijvoorbeeld, en nog wat verder activeren, als we gaan sporten bijvoorbeeld, en nog wat verder activeren, als we moeten wegspringen voor een aanrazende kleuter op een driewieler bijvoorbeeld. Zo kan het ook in groeiende mate ons brein activeren, als we bij het opstaan de krant gaan lezen, als we een discussie hebben met één van onze kinderen of als onze vader of moeder ineens onaangekondigd voor de deur drama staat te maken. 
Gelukkig zijn er niet alleen activerende zenuwen (waar je soms de zenuwen van krijgt), maar is er ook een kalmerend deel. Het deactiverende deel van je zenuwstelsel zorgt er – als het goed werkt tenminste – voor dat je lichaam achter je bureau kan stilzitten, kan ontspannen met een boekje en ’s nachts kan slapen. Dat je brein kan ontspannen met een Netflixserie, kan suffen en kan uitwapperen (dromen). 
Dit zijn de ‘normale’ staten van zijn van het zenuwstelsel, in het gewone leven, wanneer er geen gevaar dreigt. Maar ja, zo is het leven niet altijd. Daarom zit er nóg een stand op het zenuwstelsel, en dat is standje gevaar. Standje gevaar zorgt voor hetzij extreme activering (vechten of vluchten) hetzij extreme deactivering (bevriezen). Allemaal functioneel voor onze overleving en het voortbestaan van onze soort. 
Als al deze staten elkaar soepel kunnen afwisselen, hebben we een gezond zenuwstelsel.

Overweldigende ervaringen in de kindertijd maken dat het zenuwstelsel in een kramp raakt en zijn soepelheid verliest, en dat blijft zo totdat je daar iets aan doet. Als je er niets aan doet, is dat effect dus blijvend. Het in een kramp raken van je zenuwstelsel maakt dat het veel vaker dan nodig op één van de gevaarstanden blijft staan, of die standen afwisselt, terwijl er in het hier en nu geen gevaar meer dreigt. Het zenuwstelsel gedraagt zich alsof het gevaar van vroeger nog niet voorbij is. Je bent nog niet getroost of gerustgesteld na een overweldigende situatie. En dat betekent dat je vaak alertheid, stress, woede, vluchtgedrag of apathisch gedrag vertoont terwijl er in het hier en nu niet zoveel aan de hand is. KOPP-klachten dus. Je kan het ook gewoon ‘trauma’ noemen.

Het zenuwstelsel moet dan loskomen uit die kramp, het moet weer versoepelen, beweeglijk worden. Als het in de bevroren stand staat, moet het activeren en als het in de vecht- of vluchtstand staat, moet het juist deactiveren. Er zijn veel manieren om dat te doen, en één ervan, de meest natuurlijke feitelijk, is co-regulatie. Dat betekent: veilig samenzijn met een ander mens of dier en verbinding maken. Zenuwstelsels doen dat uit zichzelf, die verbinden zich met de zenuwstelsels van andere mensen en levende wezens. Nee, dat is geen abracadabra en ook niet zweverig. We weten allemaal dat je een huilend kind alleen kan troosten als je zelf kalm bent. Er is contact tussen de zenuwstelsels van de trooster en het kind. Kalmte is besmettelijk, evenals stress overigens. Als de trooster dus aangestoken wordt door de stress van het kind, heb je het begin van parentificatie te pakken. Omkering van de rol van ouder en kind. 

Omdat onze zenuwstelsels met elkaar in verbinding staan, kunnen we groepsdynamieken ervaren zoals het heerlijke gevoel van verbonden zijn en genieten op een dansfeest of concert, of het dreigende besef van uit-de-hand-lopende emoties bij een demonstratie met rellen. We voelen elkaars emoties aan en reageren daarop, of we dat nou willen of niet. 
Wij mensen zijn dus veel minder autonoom dan we graag willen geloven. En daar is een goede reden voor. We delen – net als kuddedieren, scholen vissen en zwermen vogels – op een bepaald niveau één gemeenschappelijk bewustzijn, zodat we adequater op gevaar kunnen reageren. Dat gemeenschappelijke bewustzijn kan ons gematigd of extreem activeren en deactiveren, precies zoals het individuele zenuwstelsel dat kan. De golf van gemeenschappelijk angst en stress die opgeroepen is door de corona-crisis is daar een goed voorbeeld van.

En daar zijn we weer terug bij het besmettingsgevaar. Je kan elkaar besmetten met ziekte (corona), maar ook met gezondheid en zelfs heling (co-regulatie) als je dicht bij elkaar komt. Hier spelen twee tegenstrijdige levensbehoeften: verbinding en autonomie. We leggen in onze samenleving erg veel nadruk op autonomie, in het geval van corona te vertalen met ‘het recht om niet besmet te worden’. Maar verbinding is net zozeer van levensbelang als autonomie. Vooral voor wie als kind niet getroost en gerustgesteld is na overweldigende situaties, en daarom nog steeds rondloopt met een ontregeld en verkrampt zenuwstelsel. 

Dus lieve mensen, mijd elkaar niet. Juist niet in moeilijke tijden. We hebben elkaar nodig. Ik zeg niet dat je onnodige risico’s moet lopen; bescherm je waar nodig en mogelijk. Maar mijd elkaar niet.

KOPP-blog: stop met dat stoornissen-denken

MAMA IS ZIEK IN HAAR HOOFD.
Dat zijn de eerste woorden die ik gehoord heb over wat er met mijn moeder aan de hand was. Wat ik daar als klein meisje van gemerkt had: veel ruzie en onbegrip, situaties die emotioneel overweldigend waren – ook voor de volwassenen – en stress. Een beangstigende, toenemende spanning die uiteindelijk leidde tot het uiteenspatten van ons gezin. 

Mijn moeder werd gedwongen opgenomen en ze verdween daarmee voor altijd uit ons gezinsleven. Mijn broer, mijn zusje en ik bleven bij onze vader en er kwam een omgangsregeling met onze moeder. Zij was chronisch licht psychotisch en heeft nooit meer goed gefunctioneerd. In de loop van de jaren raakte ze steeds verder verwijderd van de realiteit. Ze heeft jarenlang gezworven en stierf op haar 52ste aan kanker. Tot onze opluchting. 

Dit is een KOPP-verhaal, zoals er zo vele zijn. Een ontzettend verdrietig verhaal, zoals alle KOPP-verhalen. Het onderwerp ervan is niet ziekte of gezondheid. Het is verdriet en lijden. Daar moet je niet over lullen, dat moet je gewoon doorvoelen. Samen met anderen, in een steunende verbinding, want iedereen heeft zo zijn of haar verhaal. Maar dat doen we niet. In plaats daarvan is er een enorm systeem opgetuigd dat zich bezighoudt met stoornissen en behandelingsprotocollen. En wij KOPP’ers staan daar op de grens.

Want als het gaat over psychische gezondheid, hebben volwassen KOPP’ers een unieke positie. Wij staan tussen de ‘gezonden’ en de ‘zieken’ in. Over het algemeen kent de maatschappij namelijk maar twee smaken: je hebt degenen die psychisch ziek zijn en degenen die psychisch gezond zijn. Als KOPP’er ga je daar vaak eerst een tijdje in mee. ‘Vader of moeder, díe was ziek. De andere ouder was gezond. En ikzelf, ik struggel dan wel behoorlijk, maar dat is heel iets anders dan mijn vader/moeder want die had echt een stóórnis.’ Daar kan je je een poosje aan vasthouden, maar als je eigen klachten toch echt ook behandeling gaan verlangen, is er op een gegeven moment wel een grens bereikt. En dan? Aan welke kant van die lijn sta je dan?

In die situatie kan je niet volhouden dat er zoiets bestaat als een dikke zwarte streep tussen psychisch ziek en psychisch gezond. Daar in dat grensgebied bevindt zich een wonderlijk niemandsland dat beladen is met taboe en angst. Dat ervaar je aan den lijve. Je mag vooral niet aan de verkeerde kant van de streep belanden. Maar als je behandeling wilt, zal je toch een diagnose moeten halen. Dat voelt verscheurd.
KOPP’ers gaan vragen stellen bij het ggz-systeem zoals we dat kennen. Moedige therapeuten trouwens ook. Wie zich echt in de ander inleeft, voelt aan zijn water dat het uitgangspunt niet kan kloppen. Maar bevredigende antwoorden zijn nog niet breed te vinden.

Dus, wat is dan het uitgangspunt dat volgens mij niet klopt? Daarmee bedoel ik het stoornissen-denken. En daar zijn dan weer een paar aspecten aan. 
Eén: de biologische psychiatrie, die ervan uitgaat dat die zogenaamde stoornissen hersenaandoeningen zijn. Dat er dus iets ‘stuk’ zou zijn in het hoofd van iemand die psychisch lijdt. Voor dat laatste is door hersenonderzoekers geen bewijs gevonden. Niet dat ze er niet naar gezocht hebben. Er wordt al zo’n halve eeuw veel geld en onderzoek in gestoken. Veel psychiaters zijn nog steeds aanhanger van deze gedachte. Zonder enig bewijs. Er wordt beleid op gebaseerd. Zonder enig bewijs. 
Het tweede uitgangspunt dat niet klopt, is de wel erg vernauwde betekenis van het woord ‘normaal’. Gedrag of gevoelens die buiten het ‘normale’ vallen, interpreteren we als een stoornis. Al die stoornissen staan verzameld en beschreven in de DSM, het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Als je met dat ding onder je kussen gaat slapen, word je de volgende dag wakker met tenminste drie verschillende diagnoses. Ja, jij ook. En ik met tien.
De bandbreedte van wat we als normaal beschouwen, wordt steeds kleiner. Tegenwoordig krijgen zelfs kinderen allerlei psychiatrische diagnoses. Je kan je afvragen of deze generatie kinderen nou zo afwijkend is, of dat er wellicht iets mis is met onze interpretatie van het woord ‘normaal’. 

Mijn uitgangspunt, in tegenstelling tot het stoornissen-denken, is: psychisch lijden is heel normaal. Het hoort bij het leven. Wij allemaal worstelen af en toe met onze emoties en ons stresslevel. We hebben allemaal zo onze afwijkingen. Iedereen is op zijn of haar eigen manier gestoord, al dan niet prettig. Dat betekent niet dat er iets in je hersenen ‘stuk’ is. 

Natuurlijk bestaan er ook ziektebeelden. Mijn moeder had de diagnose schizofrenie. Een herkenbaar beeld van ‘in de war zijn’ en ‘dingen zien die er niet zijn’. Ik zal heus niet ontkennen dat mijn moeder ziek was, daarvoor heeft mijn geschiedenis echt te veel impact gehad. Het beeld dat haar zorgwekkende staat van zijn gaf, kan je labelen met een woord, schizofrenie in dit geval. Dat is handig. Weliswaar zijn de randen daarvan bepaald onhelder. Wanneer heeft iemand schizofrenie, wanneer is iemand alleen maar psychotisch? Wanneer heeft iemand gewoon erg veel fantasie, en op welk moment gaat dat over in waandenkbeelden? Voordat de DSM daarover de afspraken op schrift stelde, verstond iedereen er iets anders onder.

Prima dus dat de DSM zorgt dat iedereen in elk geval hetzelfde verstaat onder het labeltje. Maar dat betekent nog niet dat er daarmee ineens een dikke zwarte streep loopt tussen veel fantasie en waandenkbeelden. Dat is namelijk een glijdende schaal. Een continuüm. Iedereen die ooit zelf psychotisch was, of iedere naaste van iemand die wel eens psychotisch is geweest, heeft dit ervaren. Hoe verwarrend is het dan dat uitgerekend de deskundigen dat continuüm niet (h)erkennen?

In mijn boek staat een aanbeveling van Floortje Scheepers, hoogleraar innovatie in de ggz. Auteur van het boek Mensen zijn ingewikkeld. Alle pogingen om menselijk gedrag te verklaren volgens één bepaald model schieten namelijk tekort, zo zegt zij. We moeten de verschillende percepties naast elkaar leggen en van elkaar leren. Niemand heeft de waarheid in pacht. Ook de wetenschappers niet. Dus luister vooral ook naar ervaringsdeskundigen. Die weten immers van binnenuit waar ze het over hebben. 

Nou, zo één ben ik er dus. Ik ben ervaringsdeskundige als KOPP’er, maar ook als cliënt in de ggz. Ik kom van ver, al heb ik nooit diagnoses opgehaald. Ik ben goed genoeg van het padje geweest om recht te hebben op een angststoornis, een depressieve stoornis en een dissociatieve stoornis. Vroeger. Nu ben ik alleen nog een bovengemiddelde angsthaas en verder ook – volgens mijn intimi tenminste – een beetje een rare druif. 

Ik heb dus een boek geschreven dat gaat over trauma. Omdat ik iets belangrijks te vertellen heb. Niet omdat ik nou zo’n bijzonder iemand ben, maar doordat ik precies die cocktail aan ervaringen in mijn leven heb meegekregen die het mij mogelijk maakte om dit inzicht te verwerven. Een inzicht dat hoop en perspectief biedt voor alle mensen met psychische problematiek én hun omgeving. Het is misschien geen gemakkelijke boodschap en je hoeft hem ook echt niet te geloven omdat ík erin geloof. 

Als je het interessant vindt, hoop ik dat je het open en nieuwsgierig durft te lezen om vervolgens je eigen conclusies te trekken. 

VAN TABOE NAAR TRAUMABEWUST
Vanaf eind september ook in E-book versie verkrijgbaar.

KOPP-blog: konijnendrolletjes

OOIT WORDT IEDER MENS GEBOREN
als een klein prutsje dat nog niks in de melk te brokkelen heeft. Ook sporthelden en ministers beginnen zo. Allemaal dragen we ergens nog een herinnering mee aan die staat van zijn, hulpeloos en onbelangrijk. En zo verlangend naar meer invloed en macht. Ieder kind wil groter zijn dat het is.
Vervolgens leren we allemaal dat we invloed kunnen verkrijgen door iets te maken, te zijn of te doen. Iets maken, dat kunnen we al heel vroeg. Zodra een kind in de gaten krijgt dat het helemaal zelf een drol heeft geproduceerd, kan het daar super trots op zijn. Ik weet nog dat mijn grote broer ooit hard lachte nadat hij een blik had geworpen op mijn geurige product. ‘Allemaal konijnendrolletjes’ was zijn smalende oordeel; dat kwam binnen als een persoonlijke belediging. Alsof hij om mij lachte in plaats van om mijn uitwerpselen.
‘Je bent wat je maakt’; zo heb ik zijn boodschap begrepen. Niet veel dus, dat was duidelijk.

Je kan ook iets bijzonders zijn, een prins(es) of een gehandicapt kind bijvoorbeeld. Daar heb je geen invloed op, al ben je dan wel belangrijk en dus benijdenswaardig. Gehandicapt wilde ik ook wel zijn, of desnoods een prinses – alles voor de goede zaak. Het gevoel dat iemand me zág. Helaas, ik had geen invloed op wie ik was, wat ik maakte was ook niet veel soeps, ik kon dus alleen invloed uitoefenen met wat ik deed

En wat deed ik? Me aanpassen. Onzichtbaar zijn. De regels volgen. Het was bij ons thuis niet pluis, dus er was weinig ruimte om zomaar te doen wat er in ons opkwam. Dat is het eerste waar kinderen mee ophouden als het onveilig is, spelen. Gehoorzamen, lief en vrolijk doen (wel zachtjes), dat mocht. Daar was ik dan ook heel goed in. Ondertussen kneep ik mijn zusje als er niemand in de buurt was, want ik moest me toch afreageren – lief en vrolijk doen terwijl je het niet bent heeft zo zijn prijs.

Wij waren kinderen in emotionele nood, zoals de meeste KOPP’ers dat zijn. Afhankelijk van het gedrag van de ouders en onze eigen rol in het systeem hebben we geleerd om onszelf nadrukkelijk met onze wil in de wereld te zetten, of juist niet. Bij mij thuis was het regime streng, er was veel angst voor gekte. Ik werd daardoor terughoudend in mijn uitingen, ik was altijd bang. Maar het kan ook andersom. Kinderen die meer permissie krijgen om boos te zijn (dat kunnen de jongens zijn, of de jongste kinderen) leren soms juist wél om zich zichtbaar te maken. In KOPP-gezinnen waar de ouders geen verantwoordelijkheid nemen, depressief of dronken op bed liggen of emotioneel onmachtig zijn, leren kinderen vaak zelfs extreem goed om hun wil in de wereld zetten. Een voorbeeld hiervan is het verhaal van één van mijn klanten, die het bij crisis voor elkaar kreeg om de politie weg te sturen: ‘Ik heb mama volledig onder controle. Ze is nu weer rustig. Als jullie binnenkomen, flipt ze juist.’ 

Deze KOPP’ers worden super mondig en hebben een grote vormkracht als volwassene; ze lijken geen angst te kennen. Ze richten bedrijven op, zeilen de wereld rond of realiseren grote kunstprojecten. Maar dat heeft ook een prijs. Als we zo ontwikkeld zijn, staat – zolang we daar niet aan werken tenminste – onze kwetsbaarheid buitenspel, moeten onze innerlijke kinderen hun kop houden. Als we ooit zwakte hadden getoond, hadden we het immers niet overleefd. 
En op een dag is het batterijtje leeg, en kunnen we niet meer. We moeten dan eerst naar onze innerlijke fluister gaan luisteren in plaats van ons te blijven voegen naar onze zelfopgelegde discipline. Wat we dan moeten leren, is het ervaren van onze (wel degelijk aanwezige) angst. Die is er niet voor niets.

Bij mij was het net andersom. Dat is niet beter of slechter. Zoals sommige dreumesjes eerst gaan lopen en anderen eerst gaan praten, zo ontwikkelen (jong)volwassenen KOPP’ers zich ook met verschillende prioriteiten. De één leert eerst willen en en daarna kunnen, bij de ander is dat andersom. Met andere woorden: de één leert eerst om angst te onderdrukken terwijl de ander er eerst naar leert luisteren. Ter vergelijking: kinderen die opgroeien bij emotioneel stabiele ouders, krijgen van jongs af aan oefening in het in evenwicht brengen van deze twee polariteiten en hebben daarmee als volwassene een voorsprong op KOPP’ers.

Ik begón als jongvolwassene juist met een leeg batterijtje. Ik wilde wel van alles, maar kon niks – ik was chronisch gedissocieerd. Mijn angstige innerlijke kinderen waren de baas en dat vreet energie, ik maakte dus – ook als twintiger – weinig meer dan konijnendrolletjes. Was ik eindelijk gehandicapt, sociaal dan, nu schaamde ik me daar te erg voor om er een slaatje uit te slaan. Ik heb jarenlang geleefd als een kluizenaar. Wat ik moest overwinnen, was de overtuiging dat ik mijn innerlijke kinderen wás. Pas toen ik ging voelen dat ik toch ook echt een volwassene was, kon ik vertrouwen ontwikkelen in de kunst van het ‘bij machte zijn’. En werd ik minder bang.

Nu ik 53 ben, begin ik pas serieus iets in de wereld te zetten. Een boek, dat zal je vermoedelijk niet ontgaan zijn. Ik werk er al tien jaar aan, dat is het probleem niet – ik kan schrijven en ik kan ook een langdurig project aan. Het in de wereld zetten, daar zit de uitdaging. Want dan merk ik dat ik daarin weinig oefening heb gehad. Er is duidelijk een vijfjarige in mij aanwezig die haar eigenwaarde afhankelijk maakt van het oordeel van de wereld over wat ze produceert. Het manuscript wordt as we speak door de drukker omgezet in fysieke exemplaren. Nu moeten het toch tenminste wel gouden keutels zijn!

Dus daarmee ben ik nog steeds aan het worstelen. Ik ben niet wat ik maak. En nog minder ben ik wat een ander daarvan vindt. Maar dat betekent nog niet dat ik niet verbonden ben met wat ik maak. Of dat ik niet geraakt word door wat een ander daarvan vindt. Daartussen mag ik nu fijn het midden gaan zoeken. Hoera!
Wat belangrijk is, is dat ik er vierkant achter sta. En het sleutelwoord is – ook hier weer – vertrouwen. Ik stuur mijn boek deze week de wereld in, in het vertrouwen dat het gaat doen wat het moet doen. Weliswaar is het een wat bibberig vertrouwen, maar misschien is dat gewoon wel goed genoeg.

Van taboe naar traumabewust