KOPP-blog: van kopp en maaiveld

IK HEB EEN BOEK GESCHREVEN. HOE VERZIN IK HET?
Boeken willen de wereld in. Dan word ik dus zichtbaar.
Dingen opschrijven in mijn eentje vind ik best leuk. Zolang het allemaal binnenskamers blijft is er niks aan de hand. Maar ja, als je een boek binnenskamers wilt houden, moet je er een geheim dagboek van maken. Zo blijf je zelf fijn buiten schot.
(Al willen ze dat dan nog wel eens ná je dood publiceren. Lekker voor je familie, die dan achteraf met de reacties mag dealen.) 

Nee, een groot deel van mijn leven ben ik eigenlijk niet zo happig op het delen van mijn bevindingen met andere mensen. Dat is me iets te vaak niet goed bekomen. Dan had ik ergens weer eens één of andere eigenwijze mening over, die ik natuurlijk te vuur en te zwaard probeerde op te leggen. Overcompensatie – als kind heb ik me volledig onbelangrijk gevoeld. Dus dat ging van dik hout zaagt men planken. Ik was namelijk totaal niet in contact. Tja, dat vinden mensen niet leuk en er zijn er (echt waar!) die dat gewoon laten merken. Ik werd daar altijd door verrast. Ik had geen idee, ik was immers niet in contact. Dus dan schrok ik me de tandjes. Story of my life. 

Kennen jullie het verhaal van Kassandra van Troje, naar wie ik (bedankt pa&ma 😉 ) vernoemd ben? Zij was een Griekse prinses en zieneres. De dochter van koning Priamus van Troje. Kassandra voorspelde al haar hele leven de ondergang van Troje, maar niemand wilde haar geloven. Sommige mensen waren bang voor haar, anderen lachten haar uit. En daar ging Kassandra van Troje niet goed op. Ze werd instabieler en vertoonde op den duur te veel tekenen van gekte. Eerst was ze te jong en vervolgens te gek om geloofd te worden. Tragisch. 
Natuurlijk kreeg Kassandra van Troje gelijk – anders had niemand haar naam onthouden. Troje is gevallen en dat ging gepaard met grof geweld en het verlies van vele mensenlevens. Logisch dat niemand dat wilde geloven. Wat moet je met die wijsheid? Je voorbereiden op een wrede dood? Tien, twintig, dertig jaar van tevoren?
Maar Kassandra van Troje had de drang om te spreken. Zij kón haar voorspelling niet voor zich houden. 

Nou, zo was het met mij dus ook. Daarom noem ik dat het Kassandra complex. Al deed ik dan geen voorspellingen, zoals veel KOPP’ers had ik zulke scherp afgestelde antennes dat ik mensen vaak eerder doorzag dan zij zichzelf. Soms had ik het bij het rechte eind. Soms ook niet, dan projecteerde ik. Als je nog niet in de gaten hebt hoe dat werkt, projectie, is dat maar al te gemakkelijk te verwarren met intuïtie. Maar of ik gelijk had of niet, in beide gevallen werd mijn openhartigheid me natuurlijk niet in dank afgenomen. Ik heb daarin harde lessen moeten leren.

Als gevolg werd ik jarenlang erg terughoudend en super alert. Pas de laatste jaren – mijn website getuigt ervan – stuur ik sommige van mijn oprispingen weer de wereld in. Nu ik bijna altijd wél goed in contact ben, levert dat meestal alleen maar positieve reacties op. En de enkele keren dat dat misgaat, probeer ik daarvan te leren.

Nou is een maandelijkse blog wel heel iets anders dan een boek. Nu dat af is, voel ik mijn oude angst weer. Een trigger dus, al is een deel van de angst ook in het hier en nu reëel – iedere auteur levert zich over aan de recensenten. Hun conclusies gaan soms van dik hout zaagt men planken, net als die van mij vroeger. 
En toch… hoe spannend ik het ook vind om mijn kopp boven het maaiveld uit te steken met mijn eigenwijze mening, ik kon dit boek niet níet schrijven. 

Van taboe naar bewust gaat over trauma en de grote omvang, betekenis en invloed daarvan. Het is absoluut relevant voor KOPP, én de doelgroep is veel breder. 
Ik wil graag een ander geluid laten horen dan het gebruikelijke omdat dat mijns inziens hard nodig is. Ik probeer ermee bij te dragen aan een paradigmaverschuiving die al gaande is, naar een helder begrip van psychisch lijden, minder stigma en meer openheid. 

Gelukkig kan ik tegenwoordig iedereen vrijlaten om uit mijn betoog zijn of haar eigen conclusies te trekken. Dus hopelijk maaien de critici mijn kopp er niet af.

Van taboe naar bewust – wat trauma met ons doet verschijnt in augustus.
Interesse? Stuur me een mailtje, dan zet ik je op de voorverkooplijst.

KOPP-blog: willen of moeten

WIE EEN HOND OF EEN KAT HEEFT, WEET HET.
Het is namelijk zo logisch als wat. Als je wilt dat je huisdier naar je toe komt, moet je zorgen dat hij de motivatie opbrengt om zijn eigen pootjes te gebruiken. Je moet voor elkaar krijgen dat hij het wíl. Gewoon even lokken met een brokje. Zo lang je dat kunstje nog niet onder de knie hebt, moet je zelf de afstand overbruggen. En je dier nog dragen ook. Je blijft er fit bij, dat wel. Maar het kost ook een hoop energie die je misschien liever ergens anders wil gebruiken. 

Je huisdier laten gehoorzamen is één ding. Da’s de basisschool, zeg maar. Hoger onderwijs is het op afstand besturen van je kind. Zodra het de leeftijd heeft dat je het op zijn eigen beentjes kan zetten, tenminste. Wil jij even dit kopje voor mama naar de keuken brengen? Wil jij deze prop voor papa in de prullenbak gooien? Eerst vinden ze het nog ontzettend leuk om papa of mama te helpen, maar ja… dan worden ze twee en zeggen ze “nee!” En dan begint het gedonder. 

Kinderen zijn uiteraard ook uitstekend te paaien met een snoepje, maar hé, een verantwoordelijke ouder doet niet aan dat soort chantage. Anders dan een huisdier moet een kind ooit onafhankelijk worden, althans, dat is de bedoeling. 
Je kan je kind ook bang maken. ‘Als jij niet doet wat ik zeg, dan zwaait er wat!’ Dat is dan weer het andere uiterste; macht gebruiken.

Veel van onze ouders hadden maar weinig repertoire tussen deze uitersten in. Als KOPP’ers hebben wij best vaak geleden onder machtsgebruik of emotionele chantage, of allebei – van vaders kant het één en van moeders kant het ander. Als je geen voorbeeld hebt gehad in het repertoire daar tussenin, gematigd, flexibel en afgestemd op jouw behoeften als kind, dan heb je daarmee ook niet kunnen oefenen. Het is een hele kunst, namelijk, die jaren oefening vraagt.
In dat geval heb je met je eigen kinderen ook een stevige uitdaging, als je daar tenminste überhaupt aan durft te beginnen. Mijn zoon is inmiddels twintig en ik vind dat nog steeds ingewikkeld.

Het voorbeeld dat je gehad hebt in het nemen van verantwoordelijkheid, het doen van taken, is bepalend voor hoe je daar zelf als volwassene mee omgaat. Zoals je door je ouders behandeld bent als heel jong kind, integreer je dat namelijk in jezelf. Oók als je heel erg je best doet om het anders te doen. Jouw geïntegreerde ouders zitten op een heel diepe bewustzijnslaag. 

Deze laag gaat over de manier waarop we onszélf bejegenen. Had je een ouder die te veel macht gebruikte, dan zal je als volwassene een keiharde innerlijke criticus hebben. Waarschijnlijk ben je een ‘moeter’ die de dingen op kracht doet. ‘Ik moet altijd nuttig bezig zijn/ ik moet voor mijn ouders zorgen/ ik moet zacht zijn voor mezelf. Anders ben ik een mislukkeling/ anders ben ik schuldig/ anders schiet ik tekort.’ 
Inmiddels heb ik het door: als ik me héél rot ga voelen en ik weet niet waarom, heb ik mezelf op deze manier diep vanbinnen lopen slaan.

Had je een chanterende ouder, dan zal je het misschien moeilijk vinden om iets van jezelf gedaan te krijgen. Je krijgt een ingewikkelde relatie met je wilskracht. Want als jij je wil gebruikt om het juiste te doen, krijgt je ouder zijn zin, en dat ging toen jij klein was ten koste van jouw zin. Een chanterende innerlijke ouder leidt daarom nogal eens tot zelfsabotage. 

Onszelf leren aansturen, dat is universitair niveau. Althans, als je KOPP bent. Wie opgegroeid is in een stabiel gezin met vaardige ouders, integreert deze vaardigheid gratis mee en krijgt er ook nog eens voldoende oefening in. Maar wij dus niet. Dat heet ontwikkelingstrauma. En ja, daar mag je boos over zijn, maar dat terzijde. 

Wat ons te doen staat, is leren wíllen. We moeten weer twee worden en ‘nee!’ zeggen, gewoon om te voelen dat we zelf ook iets willen. Zodat we de dingen op verlangen kunnen gaan doen in plaats van op kracht. Zodra je contact kan maken met je intrinsieke verlangen, is er geen moeten meer en ook geen zelfsabotage. Dan hoef je dus ook niet te stoppen met moeten, of te stoppen met zelfsabotage – die verdampt dan vanzelf.

Ik neem ’s ochtends vaak een koude douche. Oorspronkelijk was de bedoeling iedere dag, de eerste twee jaar heb ik me daar heel braaf aan gehouden. Dat was uit ‘moeten’ en dat deed ik dus op kracht. Ik heb gemerkt dat ik daar niet blijer van werd. Al doet die koude douche op zich wonderen voor mijn humeur en mijn energieniveau, ik ga niet goed op ‘moeten’. 
Ik kan het zelf ook bijna niet geloven, maar tegenwoordig neem ik koude douches uit verlangen. Ik móet het niet meer van mezelf. En toch doe ik het nog. 

Hetzelfde geldt voor emotionele ontwikkeling en traumawerk. Pas als het oké is zoals het is, en er niets meer ‘moet’, komt daar substantieel ruimte voor. Geloof het of niet, je kan ernaar gaan verlangen.

KOPP-blog: van de wap

HET IS AL RUIM EEN JAAR CRISIS.
Dan zijn een hoop mensen bang. Maar er zijn maar weinig mensen die dat er gewoon kunnen laten zijn. Angst is ongemakkelijk, een helemaal niet cool bovendien.
Vorig jaar, na een paar maanden corona, voelde ik de collectieve angst het vaakst verpakt in woede. Ik hoorde vooral harde oordelen over alle asocialen die zich niet aan de regels hielden. We moesten onze pleziertjes blijmoedig opgeven om de kwetsbaren te redden. Voor andere geluiden was weinig ruimte in het begin. 

De boodschap die ik hoorde, was: ‘Hou je aan de regels! Accepteer ‘het nieuwe normaal’! Offer je op!’

Machtiger mensen die in een stressvolle situatie ingrijpende beslissingen nemen over mijn leven. Beslissingen die niet per se zo heilzaam zijn voor mijn emotionele gezondheid, zonder dat ik daar iets over te zeggen heb. Dat is voor veel KOPP’ers maar al te bekend. En zo beladen dat we daar vroeger overlevingsgedrag voor moesten ontwikkelen. Bij mij is dat overlevingsgedrag mijn cynische ikje. Ik had haar al een poos niet gehoord.

Vanaf het moment dat de avondklok – ondanks de uitspraak van de rechter – niet werd opgeheven, is mijn cynische ikje wakker en actief. Zij gelooft niet dat het ooit nog over zal gaan. Die mooie beloftes die niet waargemaakt worden, het gejojo waar iedereen over klaagt – zij laat zich de pis niet meer lauw maken. Corona is here to stay, zegt ze. En de politiek, de machthebbers, die onderdrukken ons omdat het kán. Wen er maar aan.
Tja, het is een eigenwijs deel hoor, met een sterk vermogen om haar eigenaardige opvattingen behoorlijk aan mij op te dringen. Ze was al vaker duidelijk aanwezig in mijn leven, bijvoorbeeld tijdens mijn bevalling. Die weeën zouden ook nooit stoppen, dat wist ze heel zeker. Ik zou daar voor de eeuwigheid liggen baren, maar nooit mijn baby zien.  

Die baby heeft deze maand zijn twintigste verjaardag gevierd. Dus het openbare leven zal over een poosje ook wel opengaan. Mijn gezonde verstand weet dat heus wel.

Mijn gezonde verstand weet ook best waarom ik ooit een cynisch overlevingsdeel moest ontwikkelen. Het wás in ons huishouden ooit een kwestie van volhouden. Boos worden was gevaarlijk en geloof in een goede afloop werd keer op keer verpletterd. Mijn cynisme heeft dus een belangrijke functie gehad. Het hield mijn overweldigende gevoelens van woede, verdriet en angst onder controle zo lang als het nog onveilig was. 
En inderdaad, ze is behoorlijk van de wap nu de wereld wéér zo onveilig aanvoelt. En dat gaat dus niet over nu. Mijn cynische overlevingsdeel reageert op mijn realiteit van toen. Zoals ik die ervaren heb, met de beperkingen van de leeftijd die ik toen had. 

Gelukkig heb ik kennis van deze materie, en wéét ik dus dat dat zo werkt. Ik neem mijn cynische ikje niet zo serieus. Maar er zijn dus ook een heleboel mensen die dat verband niet leggen. En die hun innerlijke ikje, dat zo van de wap is, nog niet kunnen sturen omdat ze ervaren dat ze dat zelf zijn. Die mensen voelen zich ontzettend onveilig, vandaar dat ze ook zoveel stampij maken. 

Er zijn een hoop soorten overlevingsdelen die zich dan kunnen opdringen. Bij mij is het mijn cynische ikje, maar de ontkenner is er ook één, evenals de complotdenker. Deze overlevingsdelen kunnen ontstaan in reactie op de vrijheidsbeperkende regels en ook op de corona zelf. Alleen gáán ze daar dus niet over – in feite spelen ze een oude rol uit een heel oud toneelstuk. Een stuk uit het ouderlijk huis.

Aan de andere kant van het spectrum zijn er evengoed mensen die geleefd worden door hun overlevingsgedrag en die dus net zozeer van de wap zijn door het virus. Overlevingsgedrag kan twee kanten uitslaan. Naar ontkenning en vermijding, zoals boven beschreven, of naar overdreven angst en overdreven controle. Twee kanten van dezelfde medaille. 

Ook veel KOPP’ers kennen de angst en controle. Meestal degenen van wie de ouders onvoldoende verantwoordelijkheid namen, zodat ze thuis te weinig vaste grond ervaarden. KOPP’ers die in zo’n situatie opgroeiden, hebben al jong de touwtjes in handen moeten nemen en behouden vaak de urgentie om alles op een overdreven manier onder controle te houden. Erg vermoeiend en bovendien onmogelijk, dus zo’n overlevingsdeel is gedoemd om te mislukken, wat de stress alleen maar verhoogt.

Het is voor ons allemaal de uitdaging om de middenweg te vinden. Niet te weinig controle, maar zeker ook niet te veel. Waar het gaat over het coronabeleid, zien we de overheid worstelen met deze opdracht. Soms schieten ze naar de ene kant en soms naar de andere. Hier te veel, daar te weinig. Er is veel overlevingsgedrag voelbaar. Spierballentaal van onder controle houden én onmogelijke beloftes doen omdat het draagvlak in het geding is. 

Dat geeft een instabiel gevoel. Mijn cynische ikje wordt er enorm door geprikkeld in elk geval. De mensen die ons land besturen weten het ook allemaal niet zo goed.
Wat we als land in crisis vooral nodig hebben van onze leiders is emotionele stabiliteit en gezond verstand. Precies zoals vroeger van onze ouders.

KOPP-blog: echo’s

Wie aan emotionele ontwikkeling gaat doen, komt al gauw in aanraking met de vraag: ben ik wel lief genoeg voor mezelf? Veel mensen zijn superstreng voor zichzelf en hebben het nodig om hun innerlijke kind te omhelzen en op schoot te zetten. Omdat ze dat ooit gemist hebben. Zoals we zelf als kind behandeld zijn, zo behandelen we het kind in onszelf. Een echo.

Als we het vaak nodig hebben om ons innerlijke kind op schoot te zetten, is er sprake van emotionele kou in onze achtergrond. Dat kan in alle varianten zijn. Soms tot en met mishandeling aan toe, waarbij het voor de hand ligt dat dat gewonde innerlijke kinderen oplevert. Of als je ouder je te vaak afsnauwde of je het gevoel heeft gegeven dat je niet belangrijk was, leidt dat tot eenzelfde echo in jou als volwassene: jezelf afsnauwen of jezelf überhaupt niet zien. 

Emotionele kou in de achtergrond leidt tot een pijnlijke, urgente behoefte aan verbinding. Als je dan je innerlijke kind op schoot kunt zetten, breng je die verbinding zélf tot stand. Dat maakt je minder afhankelijk van anderen. Veel traumawerk is er dan ook op gericht om contact te maken met het behoeftige innerlijke kind.

Er is ook een andere variant mogelijk. Eén die maar al te vaak over het hoofd gezien wordt, ook in het traumawerk. Evengoed als er gezinnen bestaan waarin emotionele kou heerst, zijn er ook gezinnen die emotioneel juist te warm zijn. Klef, zeg maar. Daarin bestaat dezelfde bandbreedte aan varianten. Dus bij emotionele kou kunnen we spreken van streng (de milde variant), dominant (de overdreven variant) en tiranniek gedrag (de extreme variant). Bij emotionele klefheid gaat die bandbreedte van betuttelend, via manipulerend naar parasiterend. (Parasiterend: het kind moet de ouder emotioneel voeden in plaats van andersom).

Opgroeien in zo’n klef gezin is net zo beschadigend als opgroeien in een te koud gezin. Maar het is veel minder zichtbaar. Strengheid, dominantie en zeker tiranniek gedrag vallen vaak wel op in de omgeving. Betutteling, manipulatie en parasitisme niet. Die zijn alleen onderhuids voelbaar. 

Waar een mishandeld kind de boodschap krijgt dat zijn gevoelens of gedachten niet belangrijk zijn, dat het moet gehoorzamen aan degene die de macht heeft, kan het nog wel voelen dat zijn eigen behoefte anders is. Het kan zich spiegelen aan die beangstigende ouder en een eigen mening vormen. Weliswaar mist het de veiligheid van de emotionele verbinding.

Een kind op wie geparasiteerd is, leert vooral dat zijn eigen waarnemingen en gevoelens niet kloppen. Zolang het maar hetzelfde denkt of voelt als papa of mama, is er niks aan de hand. Dan is er liefde en verbinding. Omdat het zonder die verbinding niet kan overleven, leert het kind daarmee om zichzelf te wantrouwen. Het kan zich niet spiegelen, want het moet verplicht samenvallen.

Veel KOPP’ers kennen de dynamiek in die laatste categorie, met name als zij emotioneel de ouder van hun ouder moesten zijn. Als volwassene verkeren zij vaak in verwarring. Ik had niks te klagen, er was toch warmte en liefde? Wat je niet kent, dat mis je ook niet en in dit geval gaat dat over autonomie. Je eigen plek mogen innemen. Mogen leven vanuit je eigen impulsen. Ontdekken wie je zelf eigenlijk bent. 

Deze basisvorm van autonomie is voor de meeste mensen net zo vanzelfsprekend als het water is voor de vis die erin zwemt. Die is zich daar echt niet van bewust. Mensen snappen het dus ook niet als je hier problemen mee hebt. En aangezien je eraan gewend bent om je eigen waarnemingen te wantrouwen, neem je daar heel lang genoegen mee. Ik zal het wel verkeerd zien. Ik moet me niet aanstellen. Anderen hebben het slechter. 
Maar je bent dan net zozeer beschadigd als een kind dat opgroeide in emotionele kou. 

Om het extra ingewikkeld te maken, hebben we vaak ook te maken met beide varianten tegelijk. Vader was te koud en moeder te warm, bijvoorbeeld. Of moeder was de ene keer te koud en de andere keer te warm. Dan weet het kind niet of het naar haar toe moet rennen of van haar vandaan. 

Alle mensen hebben in het contact met anderen twee emotionele basisbehoeftes: verbinding (warmte, nabijheid) en autonomie (koelte, ruimte). Baby’s kunnen niet overleven zonder verbinding, en ze kunnen zich niet gezond ontwikkelen zonder een – zich geleidelijk uitbreidende – autonomie. Volwassenen hebben een grotere behoefte aan autonomie dan kinderen en baby’s, al doet dat niets af aan hun behoefte aan verbinding. Een emotioneel gezonde volwassene zoekt evenzeer de verbinding als de autonomie. En die beheerst het spel om IN de verbinding met de ander autonoom te blijven. Of zich vanuit autonomie met de ander te verbinden. Dat is wat mij betreft wat een emotioneel gezonde volwassene definieert.

Wat onze ouder(s) dus niet was/ waren. Psychische problematiek bestaat bij uitstek uit de onbalans tussen het nastreven van verbinding en autonomie. Een onbalans die extreme vormen aanneemt, die we vervolgens aanduiden als een stoornis. Bijvoorbeeld: een ouder die zich extreem afhankelijk opstelt, is niet autonoom en probeert dat ook niet te worden. Die gebruikt eenvoudig de autonomie van de ander om overeind te blijven. En een ouder die heel star is en alles precies op zijn of haar manier wil, verbindt zich niet. Die wantrouwt de verbinding en zal er altijd voor zorgen dat het gesprek niet echt ergens over gaat.

Dat wantrouwen van de autonomie of juist van de verbinding komt natuurlijk altijd ergens vandaan. Namelijk van de manier waarop de ouders van onze ouders hiermee omgingen, onder druk van de omstandigheden van hún leven. Dat had gevolgen voor onze ouders en dat heeft weer gevolgen voor ons, en vervolgens voor onze kinderen. Emotionele onbalans wordt zo doorgegeven van generatie op generatie. Het is altijd een reactie op wat we hebben meegemaakt. Een poging om ons daartoe te verhouden. 
Totdat je je ervan bewust wordt, en gaat zoeken naar je eigen balans.

Hoe autonoom ben jij? En hoe goed ben je in staat om je te verbinden? Kun je het allebei, maar niet tegelijk? Als je je hierin ontwikkelt, kun je naar keuze soms warm zijn en soms koel – precies zoals dat nodig is in het leven. Heel fijn voor jezelf, zo leef je veel vrijer en eenvoudiger. En een zegen voor je eventuele kinderen.

KOPP-blog: ode aan mijn grootmoeder

HET IS EINDELIJK GEBEURD.
Mijn lieve grootmoeder heeft het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld. Ik ben zo blij!
Raar hè. 

Toen mijn moeder het allemaal niet meer kon bijbenen met drie kinderen onder de vijf, vijftig jaar geleden, was daar mijn grootmoeder. Ze was net weduwe. Ze woonde een eind weg. Toch kwam ze ieder weekend met een pan soep. Samen met haar zus, en die twee dametjes begonnen dan welgemoed aan de afwas die zich een meter hoog op het aanrecht had opgestapeld. Als ze orde op zaken hadden gesteld, vertrokken ze weer en mijn grootmoeder nam dan één van ons mee, iedere week een ander kind, zodat we een weekje tot rust konden komen. 

Mijn moeder trok het allemaal niet en deed rare dingen. Mijn vader in paniek natuurlijk, hij werkte fulltime en had dus geen zicht op wat er thuis gebeurde. Zo moest hij ooit van de buurvrouw horen dat wij uit het raam hingen. Mijn moeder had ons opgesloten en was weggegaan. Het waren jaren van oplopende spanning die uiteindelijk geleid hebben tot een gedwongen opname van mijn moeder. De kinderen werden ondergebracht bij opa’s en oma’s. Ik bij mijn grootmoeder.

Ik weet nog dat we boodschappen deden samen. We liepen door de supermarkt, mijn knuistje stevig vastgehaakt in haar rok. Mijn knokkels zagen er wit van. Grootmoeder demonstreerde mijn verlatingsangst aan haar kennissen, ‘kijk dat arme kind nou toch eens’. 

Ook herinner ik me de natte zoenen die ik van haar kreeg in de kerk. Mijn moeders zoenen vond ik vies, maar die van grootmoeder nooit. Ooit demonstreerde grootmoeder aan een familielid hoe handig ze mij in bad deed, in de wastafel namelijk. Dat werd me toch wel een beetje te gek, dus toen huilde ik hard omdat het water te heet was. Wat niet het geval was, maar het had wel het gewenste effect. De aandacht ging weer daar naartoe waar hij hoorde. Naar mij. Ik was drie jaar oud, het middelpunt van de wereld dus. En grootmoeder was de enige die dat snapte.

Bij de scheiding werden wij aan onze vader toegewezen. Hij hertrouwde en er kwam een elegante omgangsregeling met onze moeder. Bij grootmoeder thuis. Mijn broer, mijn zusje en ik brachten dus iedere zomervakantie tenminste drie weken bij grootmoeder door. Zij was zo stevig dat ze de gekte van mijn moeder neutraliseerde. Natuurlijk gaf het verontrustende gedrag van mijn moeder nog steeds stress, toch heb ik me daar nooit onveilig gevoeld. Grootmoeder was er altijd.
Ze woonde in een paradijs. Haar huis stond op een heuvel midden in het bos. Bovendien was er een zwembad. Alleen op die plek konden we eindeloos spelen en kind zijn.

Mijn moeder overleed toen ik 21 was. Grootmoeder deed voor hoe je dat doet, afscheid nemen van een dode. Ze stond bedaard bij het lichaam van haar dochter, onze moeder, en raakte het op een volkomen natuurlijke manier aan. De dood van onze moeder was welkom, het lijden was zo groot geweest. 

Wij, mijn broer, zus en ik groeiden op, trouwden. Grootmoeder werd overgrootmoeder. Ik heb meer dan eens ‘gebeden’ dat ze niet zou sterven voordat ik eraan toe was. Al greep ik me niet meer vast aan haar rok, tot ver in mijn volwassenheid heb ik me te instabiel gevoeld om haar te kunnen missen. 
Of het door mijn smeekbedes kwam weet ik niet, maar grootmoeder bleef. En we scheidden, kregen nieuwe relaties. Wat mijn moeder in jaren tekort is gekomen, leefde mijn grootmoeder extra, zo leek het wel.
Drie maanden na haar honderdste verjaardag viel ze, en brak ze haar heup. Ze werd geopereerd en nog eens drie maanden later liep ze weer. Niet kapot te krijgen. 

Pas een paar jaar of vijf geleden begon ze achteruit te gaan. Ze kwam gevangen te zitten in haar tergend langzaam aftakelende lijfje. Ik bezocht haar zo vaak mogelijk en altijd was ze – precies zoals toen ik een kind was – blij om mij te zien. We dachten dat ze ons nooit zou verlaten, maar uiteindelijk is het haar toch gelukt. De laatste woorden die ze tegen me sprak, waren: tot in de hemel.

Gisteren nam ik afscheid van haar lichaam. Het moment dat ik haar zag liggen, krulden mijn mondhoeken in een glimlach. Zo ontspannen, zo vredig. En eindelijk vrij; op een haar na 110 jaar oud.

Wat ben ik dankbaar dat ik zo’n stabiele factor in mijn leven gehad heb. Zonder haar was ik nooit gekomen waar ik nu ben. 
Je blijft altijd bij me, lieve grootmoeder. Jouw stevige, simpele liefde zit nu in mij.

KOPP-blog: de missing link

BEGIN JAREN ZEVENTIG VAN DE VORIGE EEUW
kreeg mijn moeder de diagnose paranoïde schizofrenie. De psychiater zei tegen mijn vader: Ik vind het heel erg voor u meneer, maar dit is chronisch en ongeneeslijk. Mijn vader nam zijn verantwoordelijkheid, al was dat een hartverscheurend drama. Hij heeft ervoor gezorgd dat zijn kinderen niet verder hoefden op te groeien bij een moeder die geen contact kon maken met de realiteit. Dat is namelijk zeer traumatiserend.

Bij ons was de situatie overduidelijk. Paranoïde schizofrenie was een diagnose die stond als een huis. Dacht iedereen. Jaren later was er eens een jonge psychiater die nieuwsgierig was naar de omschrijvingen van de diagnoses in verschillende landen, en hij ontdekte dat onder de noemer schizofrenie in Engeland iets heel anders verstaan werd dan in Frankrijk, en weer iets anders dan in Nederland. Dat was een probleem voor de beroepsgroep van psychiaters.
Eigenlijk waren het natuurlijk twee problemen. Er bestonden verschillen in interpretatie tussen de landen, en daaruit moest je concluderen dat men niet precies wist wat schizofrenie dan was. En dat gold niet alleen voor schizofrenie; de oorzaken en precieze betekenis van psychi(atri)sche problematiek wáren niet bekend. Een missing link.

Er bestond in Amerika een standaardwerk dat deze verschillen gelijk kon trekken en dat is ook in Nederland in zwang geraakt. De DSM (Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders) rubriceerde alle bekende psychi(atri)sche ziektes netjes met de symptomen erbij, zodat daarover geen verwarring meer kon ontstaan. Daarmee is de DSM eigenlijk een soort lijst met afspraken: als deze symptomen zich voordoen, noemen we dat X. Dit betekent nog niet dat X op enige manier begrepen wordt. Het is zelfs zeer de vraag of je al dat het beschreven gedrag eigenlijk wel ‘afwijkend’ moet noemen, aangezien dat een interpretatie is en daarmee niet erg wetenschappelijk. Ter illustratie, in de oorspronkelijke DSM trof je in de opsomming van gektes ook homoseksualiteit aan. 

De DSM dus. Zolang de oorzaken van psychische en psychiatrische problematiek onbekend zijn, moet je je behelpen met dit soort afspraken, daar valt niks op af te dingen. Zolang je je maar blijft realiseren dat het afspraken en definities betreft. Het is eigenlijk net zo’n soort afspraak als het KNMI maakt: Als het vijf dagen boven de 25 graden is waarvan tenminste drie boven de 30, noemen we dat een hittegolf. Of die hittegolf wel of niet fijn is, kun je heel verschillend beoordelen. Hetzelfde geldt voor de vraag hoe die hittegolf daar komt. Is hij door god gezonden of het resultaat van een complex systeem aan luchtstromen en opwarming door de zon?

Wat vroeger ‘god’ was, kun je tegenwoordig vertalen met ‘het cognitieve brein’. Dat zit in onze cultuur stevig op de troon en kreeg dus vanzelf de credits voor het veroorzaken van psychi(atri)sche problematiek toen men een jaar of dertig geleden begon met het in kaart brengen van onze hersenpan. Er werd voetstoots vanuit gegaan dat dáár alle gektes gelokaliseerd zouden worden. Het medische en materiële model: een ziekte heeft een oorzaak in de materie en die zit op een bepaalde plek in het lichaam. Voor veel (maar niet voor alle!) fysieke kwalen voldoet dit model inderdaad uitstekend.  

Helaas, waar het gaat over psychisch lijden bleef dit onderzoek zonder resultaat. Jammer genoeg was er al wel op allerlei manieren een voorschotje genomen op de verwachte resultaten. De DSM is in de geestelijke gezondheidszorg een ijzeren wet geworden en de – in aantal almaar groeiende – afwijkende gedragingen kregen de misleidende naam ‘stoornissen’ van de hersenen. Handig voor de verzekeraar, deze duidelijkheid. De geestelijke gezondheidszorg en de verzekeraars houden elkaar inmiddels al vele jaren in een wurggreep en de lijm ertussen is de DSM. Met wetenschap heeft dit alles niet veel te maken.

De jonge psychiater uit de tweede alinea (Jim van Os) is inmiddels hoogleraar psychiatrie en een voorvechter van een andere manier van kijken naar psychisch lijden. Hij lanceerde een kleine vijf jaar geleden de kreet Schizofrenie bestaat niet!  Sindsdien is er – heel langzaam, vanwege de wurggreep –  het één en ander aan het veranderen.
Had mijn moeder dan geen schizofrenie? Ze was chronisch licht psychotisch en daarbij erg wantrouwend. Was dat dan een hersenstoornis? Daar geloof ik, net als Jim van Os, niets van. 

Ervaringsdeskundigen die zelf een herstelproces hebben meegemaakt, van welke ‘stoornis’ dan ook, weten dat iets heel gewoons als emotioneel en fysiek goed voor jezelf zorgen cruciaal is voor herstel. Het vermogen om tot je nemen wat je nodig hebt (zuurstof, voeding, vocht, veiligheid, emotionele verbinding met andere mensen) en af te weren of los te laten wat je niet nodig hebt (giftige stoffen, langdurige stress, oud zeer, vijandigheid en negativiteit) is essentieel voor je psychische gezondheid. Evenals de balans tussen de polariteiten: rust en activiteit, alleen en samen, stevig en zacht, warm en koud. 

Het lukt de meeste volwassenen aardig om voor zichzelf te zorgen. Het vermogen daartoe wordt daarom als vanzelfsprekend beschouwd, maar dat is het allerminst. Juist KOPP’ers weten hier alles van.
Er is namelijk een factor die op dit vermogen buitengewoon verstorend werkt: psychotrauma. De missing link. Mijn boek over dit complexe onderwerp is nog steeds in de maak. 

Helaas heeft mijn moeder geen kans gehad op een herstelproces. Die wake-up-call is iets van mijn generatie, en hopelijk blijft het bewustzijn aanwezig in alle volgende generaties, zodat het uiteindelijk niet meer zo ver hoeft te komen dat mensen chronisch ontregeld raken. 
I have a dream!

KOPP-blog: hete bliksem

MIJN VORIGE BLOG BEËINDIGDE IK MET DE ZIN:
Ik ben god niet! Je zou denken dat ik het kunstje dus wel onder de knie zou hebben, zo langzamerhand: me niet meer schuldig voelen over zaken die buiten mijn eigen cirkel van invloed vallen. Nou, niets blijkt minder waar. Mijn zoon (19) is pasgeleden gediagnostiseerd met een auto-immuunziekte. Chronisch en ongeneeslijk. En ik voel me guilty as hell. Waarom heb ik dat niet eerder gezien? Waarom heb ik het niet voorkomen? Iets in mij gelooft werkelijk dat ik zijn ziekte helemaal in mijn eentje heb veroorzaakt. Alsof ik god ben, met de macht om ziektes als bliksemschichten naar beneden te sturen. 

Die vorige blog gaat over het ontstaan van dat grenzeloze verantwoordelijkheidsgevoel van KOPP’ers. Hoe klein we nog waren toen we de last van de verantwoordelijkheid op ons moesten nemen, toen we dus wel soort van god móesten worden. Hoe we geen keuze hadden, omdat die last zo voor ons ‘klaarlag’ in ons gezin van herkomst aangezien onze ouder(s) emotioneel instabiel waren. 
Ik ben nog niet klaar met dat thema, merk ik. Er zit ook een meergenerationeel aspect aan.

Waarom was/ waren onze ouder(s) eigenlijk emotioneel instabiel? Kwam dat door een psychische stoornis, die ergens in hun leven opgekomen is als poepen, en waren ze vanaf dat moment instabiel? Als je de psychiatrie moet geloven, werkt dat zo. Maar volgens mij ligt het causale verband andersom. Onze ouders ontwikkelden wat we de laatste decennia zijn gaan interpreteren als een ‘psychische stoornis’ omdát ze emotioneel al instabiel waren. Ik verdiep me al jaren in de geschiedenissen van KOPP’ers en zij vertellen mij de verhalen van hun ouders met psychische problematiek – stuk voor stuk mensen die trauma met zich meedroegen dat ze nooit verwerkt hadden. En waar onze ouders niet zijn opgegroeid in oorlogsgebieden, of getroffen door natuurrampen, gaat het daar (net als bij ons) om vroegkinderlijk trauma. 

Ja, KOPP’ers hebben vroegkinderlijk trauma. Ook als de grote problemen of de diagnose pas jaren later kwamen, was de emotionele instabiliteit bij onze ouder(s) er voor onze geboorte al. Daar ben ik van overtuigd geraakt omdat alle KOPP’ers die ik ontmoet heb, en dat zijn er inmiddels honderden, een gemeenschappelijk kenmerk hebben. We proberen ons met behulp van onze zeer scherp afgestelde antennes zó te gedragen dat we bij onze omgeving de juiste reacties creëren. Dat doen we omdat we, toen wij jonge kinderen waren, geleerd hebben om onze ouders te managen in plaats van onszelf. Dat overlevingsgedrag ontstaat al vroeg in de kindertijd, en zou overbodig zijn bij emotioneel stabiele ouders. Emotioneel stabiele ouders stimuleren hun kinderen om zichzelf te voelen. En ze begeleiden hen in het op een acceptabele manier leren uitdrukken van hun gevoelens en verlangens. 
Onze ouders hebben, uiteraard onbedoeld en ongewild, hun onverwerkte trauma als een emotionele hete aardappel aan ons doorgegeven. Eén van de effecten daarvan is het bovengenoemde. Dat heet ontwikkelingstrauma; het niet leren ontwikkelen van je eigen wil en/ of het niet effectief in de wereld leren zetten van je eigen wil. 

Wij kregen dus het onverwerkte trauma van onze ouders als een hete aardappel in onze mik geschoven. Daar waar het bij onze ouders niet over oorlogstrauma, natuurrampen of ziekte en/ of dood in de familie ging, kunnen we aannemen dat zij die hete aardappel weer van hún ouders doorgeschoven hebben gekregen. De verhalen die ik hoor over de opa’s en oma’s van mijn klanten, voor zover die bekend zijn, ondersteunen dit. In veel gevallen is het leed terug te voeren op oorlogstrauma, maar soms gaat het doorschuiven van hete aardappels nog veel verder terug. De aardappel wordt als zodanig onherkenbaar, maar héét blijft hij. Hete bliksem, zeg maar.

En precies zo heb ik mijn onverwerkte trauma doorgeschoven naar mijn eigen kind. Want ook mijn zoon vertoonde tekenen van traumatisering. In de eerste tien jaar van zijn leven kon ik dat niet onder ogen zien, maar (al was de situatie niet zo dramatisch als bij mijn eigen moeder) toch was ik lange tijd een emotioneel instabiele moeder. Waar had ik het ook vandaan moeten halen? Mijn eigen ouders hebben me niet geleerd hoe je ouder moet zijn en niet de emotionele veiligheid kunnen geven om een stabiele volwassene te worden.

Pas later ben ik actief aan mijn stabiliteit gaan werken zodat ik de moederrol beter kon vervullen. De grootste schade was toen al gedaan, al hebben we vanaf dat moment ook veel kunnen helen. Die schade werd veroorzaakt door het doorgeven van mijn hete aardappel, en die kon deels worden geheeld door het terug verantwoordelijkheid nemen daarvoor. Natuurlijk kon ik dat pas doen nadat ik de lading van mijn eigen ouders naast me had neergelegd – ik heb maar één paar handen. Ik ben god niet!

Fijn, dus die hete bliksem wordt doorgegeven van generatie op generatie en daarmee brandt iedereen zich aan iets wat buiten zijn eigen macht ligt. Wat een k-dynamiek! Wie mag ik daarvan de schuld geven? Als mijn ouders ook maar deden wat ze deden omdat ze trauma met zich meedroegen, gold dat ook voor mijn opa en oma, en mijn over- en betovergrootouders. Waar moet ik dan naartoe met mijn woede, met mijn aanklacht? 
Het enige dat ik kan doen, is stoppen met dragen. Dan hoef ik niet meer boos te zijn. En wat blijft er nog over van mijn eindeloze schuld, mijn grenzeloze verantwoordelijkheid, nu ik weet dat er maar één aardappeltje in die hele hete brij van mij is? Ik kán alleen maar mijn eigen deel doen. Waarmee ik het hele systeem een impuls geef, die het kan oppakken – of niet.

Ja, ik heb een aandeel in de problemen van mijn kind. Net zoals mijn ouders hun aandeel hadden in mijn traumatisering. En hun ouders in die van hen. We hebben als volwassenen allemaal onze verantwoordelijkheid en alleen als we die niet (voldoende) nemen, creëren we schuld. Onze uitdaging is om dat gegeven in de juiste proporties te zien. Ieder een stukje. Alleen je eigen stukje schuld kun je inlossen. Alleen je eigen stukje trauma kun je integreren. Nooit dat van je ouder, laat staan van alle vorige generaties. Speel niet met hete bliksem; je bent god niet en dat hoef je ook niet meer te zijn. Je hebt het al overleefd.

KOPP-blog: overvraagd

HET IS WEER OKTOBER.
De maand dat de blaadjes gaan kleuren en vallen. Dat kleuren, daar heb ik pas de laatste tien jaar oog voor. Eerder zag ik ze alleen maar vallen. Ondanks dat ik de schoonheid ervan tegenwoordig wél kan waarderen, is de herfst nog steeds niet mijn favoriete seizoen. Van oudsher is het ook de tijd waarin ik het heel druk heb en me standaard overvraagd voel. September, oktober en november zijn de maanden van de evenementen, cursussen, seminars en trainingen. Dit coronajaar is alles natuurlijk anders. Ik hoef niet veel te organiseren, te ondersteunen of anderszins hard te werken. En toch voel ik mij, net als in de jaren dat ik het werkelijk druk had, regelmatig overvraagd. Kennelijk komt dat gevoel dus niet alleen voort uit mijn tastbare taken. 

Snauwen
Ik betrap mezelf op het verlangen om iedereen af te snauwen, het bijltje erbij neer te gooien en me af te zonderen. Ik wil ineens iedere dag uitgebreid in bad. En vooral geen verplichtingen, de dagelijkse boodschappen zijn me al teveel. Je overvraagd voelen terwijl daar ogenschijnlijk geen reden voor is, is een verschijnsel dat veel KOPP’ers zullen herkennen. Hoe zit dat?
Het begint met de simpele balans tussen draagkracht en draaglast. Als de draaglast hoger is dan de draagkracht, word je overvraagd. Maar waaruit bestaat die draaglast eigenlijk? Kennelijk niet alleen uit werk.

Emotionele draaglast
Alle kinderen starten hun leven met een geringe draagkracht en krijgen – als het goed is – ook geen lasten te dragen voordat ze daar oud en krachtig genoeg voor zijn. Waar het fysieke lasten betreft, zoals het sjouwen van stenen of het naaien van kleding, hebben we daar wetten voor gemaakt. Kinderarbeid is verboden. Waarom? Omdat dat de draagkracht van kinderen overvraagt. 
Voor emotionele lasten zijn er geen wetten. Die kun je niet zien, en toen wij KOPP’ers kinderen waren, was er niet veel aandacht voor de vraag of emotionele overbelasting aan de orde zou kunnen zijn. Sommige mensen voelden dat wel, betrokken familieleden, leerkrachten of buren. Soms konden zij, door beschikbaar te zijn, onze draaglast iets verkleinen of onze draagkracht iets vergroten. Maar er is niets structureel geregeld voor kinderen die een te grote emotionele last dragen. 

Winst- en verliesrekening
Maar waarom ervaar ik dat nú, als volwassene? 
Een kind dat opgroeit in een gezin waarvan de ouders emotioneel onvoldoende stabiel zijn, zal altijd proberen dat tekort zelf aan te vullen. Ook al heeft het zelf nog niets om uit te putten. Het is een kwestie van overleving. Moeder natuur heeft dit wonderbaarlijk adequaat geregeld; kinderen beschikken over een soort emotionele winst- en verliesrekening. Dus toen wij vroeger een tekort moesten aanvullen zonder zelf de middelen te hebben, leefden we emotioneel op de pof. Om in betere tijden de rekening te gaan betalen. 
Die rekening, die krijgen we dus op volwassen leeftijd voorgeschoteld. Als we veilig zijn. Niet zelden is dat pas na het overlijden van de ouder(s)! 
En de rekening draagt kenmerken van die pof van toen. 

Ontwikkelingsfasen
Dat zal ik uitleggen. Naarmate kinderen groeien, ontwikkelen zij zich volgens bepaalde ontwikkelingsfasen. Een baby die een te grote draaglast krijgt doordat de moeder emotioneel niet stabiel is, zal zich emotioneel afsluiten voor de ouder of juist het contact met zijn/ haar eigen lichaam (waarin immers die onhanteerbare angst huist) verbreken. Een baby kan nog geen last op zich nemen, die sluit eenvoudig iets af. Een eenjarige zal qua aandacht volledig gericht zijn op de behoeften van de ouder, een tweejarige zal zijn eigen wil opofferen en vooral meeveren, een driejarige gaat emotioneel zorgen voor de ouder, een vierjarige neemt de verantwoordelijkheid voor de emotionele stabiliteit in het hele gezin. Afhankelijk van hun verhaal zijn er veel KOPP’ers op al deze gebieden emotioneel op de pof hebben moeten leven, en dus als volwassene voor al deze dingen de rekening gepresenteerd krijgen. Zelfs voor dingen die tegengesteld zijn aan elkaar, zoals zich afsluiten en alle aandacht op de ander richten. Soms wint het één, soms het ander. Maar vaker zal je zoiets voelen als een innerlijk conflict; gassen en remmen tegelijk. 
Het is op zich al doodvermoeiend om te leven met zo’n uitgeputte emotionele bron. En dan krijg je nog rekeningen gepresenteerd ook. 

Blauwe envelop
Hoe ziet zo’n achterstallige rekening eruit? Je merkt dat je niet goed in contact kunt zijn met de ander, of dat je jezelf en je eigen emoties niet goed kunt voelen, of dat je doodmoe wordt van dat gas geven en remmen tegelijk. En bijna voor alle KOPP’ers geldt: dat je je verantwoordelijk voelt voor alles en iedereen. Voor het soepel reilen en zeilen van zaken en bovenal voor de emotionele stabiliteit van iedereen. Als je al deze verschijnselen gaat afpellen tot de kern (wat nog een hele klus is), kom je uit bij boosheid. Boosheid is namelijk het signaal dat je grenzen worden overschreden, en dat is wat er hier in de kern aan de hand is. Vandaar dat ik zelf de behoefte voel om te snauwen en me af te zonderen. Al deze verschijnselen zijn – zeg maar – de blauwe envelop. Dit signaleren is stap één. Daarna komt nog het uitpakken en betalen van de rekening.

Vreemde taal
Bij het uitpakken hoort een belangrijk inzicht. 
De kinderen die wij waren, leefden emotioneel op de pof. We werden standaard overvraagd om de simpele reden dat er een tekort was. Maar iedere dag werd onze draagkracht een beetje groter; we groeiden immers op. Dus we namen er steeds iets bij aan draaglast. Overvraagd worden en toch steeds iets erbij nemen vinden wij daarom normaal. Als je opgroeit in een gezin waar Swahili gesproken wordt, vind je dat net zo normaal. Ook als volwassene denken we daar niet over na, we spreken eenvoudig onze moerstaal. Dus we passen onze draagkracht aan aan wat (wij denken dat) er gevraagd wordt. Net als vroeger, toen dat voor onze overleving nog noodzakelijk was. 
Maar ja… je draagkracht aanpassen aan de draaglast, dat is de omgekeerde wereld. Ja, denk daar maar even over na! Voor een beetje KOPP’er is dat een hersenkraker. Net zo moeilijk als het leren van een vreemde taal, zeg maar.

Betalen!
Dit inzicht is essentieel voor de derde stap, de betaling. Je kunt er natuurlijk ook voor kiezen om de rekening niet te betalen. Maar dan blijven de enveloppen wel op je mat vallen. Naarmate we ouder worden, wordt onze draagkracht er niet groter op, dus de meeste mensen krijgen eerder meer dan minder last van de stress die overvraagd zijn met zich meebrengt.
Als het aankomt op het betalen van de achterstallige rekening (draaglast), betekent dat dat je middelen (draagkracht) óver moet hebben om dat nu te kunnen doen. In normaal Nederlands: als je aan verwerking gaat doen, moet je zorgen dat je daar de ruimte voor hebt. Je moet zorgen dat in het hier en nu je draaglast kleiner is dan je draagkracht. Alleen dan overvraag je jezelf niet. Overschrijd je je grenzen niet. Hoef je dus ook niet te dealen met (al dan niet vermomde) boosheid die gepaard gaat met iedere grensoverschrijding.

Absurd
Als ik mij iedere herfst overvraagd voel, betekent dat dus feitelijk: iets in mij is iedere herfst weer bang om niet te kunnen voldoen aan de hoge eisen die ik ooit aan mezelf moest stellen om te overleven. Waarom dat per se altijd in de herfst gebeurt, weet ik ook niet. Ik weet wel dat ik niet de enige ben. Deze herfst wordt bovendien gedomineerd door een tweede golf van nationale stress. Logisch; er heerst een levensbedreigende, besmettelijke ziekte. Die stress hangt zo dik in de lucht dat je hem kunt snijden, dikker dan het virus zelf als je het mij vraagt. Ik voel mij overvraagd omdat mijn systeem denkt dat ik nu mijn draagkracht moet gaan aanpassen aan de last van het IEDEREEN emotioneel stabiel houden. En haha, dat is zo groot dat het absurd wordt.

Het is nu een nationale uitdaging om ons te verhouden met de stress van levensgevaar. Iedereen moet zijn eigen rugzak dragen. Ik denk dat ik maar eens lekker in bad ga en dat ik vanavond een pizzaboer laat komen. Ik ben God niet!

KOPP-blog: emotionele klucht of emotionele grond?

LAATST KREEG IK VAN EEN KLANT
een hilarisch linkje doorgestuurd; een filmpje van ene Tiffany Jenkins. Ik had nooit van haar gehoord (ze heeft ook maar 4,6 miljoen volgers, daar ben ik er dus niet één van – ik ben geen trendwatcher, ik krijg de zenuwen al bij het idee dat ik al die output die mensen op het net pleuren zou moeten volgen, niet dat ik dat zelf nooit doe overigens, dit filmpje is trouwens al een jaar oud dus ik val meteen door de mand, sputter sputter…), maar gelukkig word ik af en toe door iemand op iets interessants gewezen. Dank je wel, Chantal!

Tiffany acht zichzelf niet erg hoog, en ze ziet kans om dat gegeven om te zetten in een moderne klucht. Een talent op zich, dat ze gemeen heeft met veel artiesten, van stand-up-comedians tot clowns. Grappen maken ten koste van jezelf is een manier om met ellende om te gaan, dat is algemeen bekend. Minder bekend is dat het de ellende niet oplost, maar in stand houdt – het is een vorm van afweer. Het onderliggende trauma wordt niet geïntegreerd zolang je het niet serieus neemt. 

Paradoxaal genoeg geeft Tiffany met dit specifieke filmpje heel goed aan hoe je zo met trauma zou kunnen omgaan dat je het wél integreert. Met andere woorden: dit filmpje is heel nuttig om naar te kijken als je zelf het één en ander aan trauma hebt opgelopen in je geschiedenis. Als je KOPP bent bijvoorbeeld. Je kunt ervan leren wat je beter niet kunt doen, maar het geeft ook een goede aanzet tot een mogelijke oplossing, als je het een beetje ‘omdenkt’ tenminste. 

Tiffany speelt in het filmpje een teamoverleg waarin ze zelf alle rollen vertolkt. Het overleg, onder leiding van Brein, bereidt zich voor op de dag van Tiffany, die op dat moment nog lekker ligt te maffen. Ze roept al haar subs op: Depressivo, Angstige, Vergeetachtige, Nerd, Uitsteller, Verslaafde, Redder, Slapeloze – het hele team moet zich klaarmaken om Tiffany gelijk vanaf het wakker worden zodanig onderuit te halen dat ze de dag zal doorkomen zoals ze dat van zichzelf gewend is – als een psychisch wrak. Vooral de rol van Brein is interessant. Die is namelijk de baas, de kapitein op het schip. 

Geen fijne kapitein, die van Tiffany. Daarom is het filmpje ook zo grappig. Brein lijkt erop uit om haar schip op de klippen te laten lopen. Ze geeft haar matrozen op een effectieve manier aanwijzingen om Tiffany zo labiel mogelijk te maken. Wat ze daarmee in feite probeert, is om Tiffany te beschermen tegen de diepe wateren van de zachtere emotie die – bijvoorbeeld – zou kunnen ontstaan als iemand haar (of zij zichzelf) zo serieus zou nemen dat dat tot verbinding zou leiden. Brrr, verbinding is levensgevaarlijk, met wie dan ook. Daar kan je beter maar flink grappen over maken, dan valt het niet zo op dat je eigenlijk onaanraakbaar bent. Maar deze kapitein is wél effectief, al is de koers die zij kiest niet zo handig. Het is heel nuttig om goed te kijken wat zij daar doet.

Als de koers van je schip (je leven) niet de koers is die je eigenlijk verlangt, is er maar één die dat werkelijk kan corrigeren. Dat is de kapitein (de volwassen versie van jou). Onze afzonderlijke matrozen (subs of innerlijke kinderen) doen vaak erg hun best, maar als ze niet geleid en begrensd worden door een kapitein die het overzicht heeft, raken ze uiteindelijk óf burn-out óf schelden ze iedereen verrot. Ze hebben namelijk allemaal maar een deelbelangetje, en al die deelbelangetjes zijn vaak nog aan elkaar tegengesteld ook. Mijn driejarige matroos (Angst) wil het hele schip meestal dolgraag in een donker gat verstoppen, terwijl mijn zestienjarige (Rebel) juist zit te popelen om te gaan passagieren in de eerste de beste liederlijke haven. Ik bedoel maar. Zonder kapitein kom je daar echt niet uit. 

Helaas trappen veel mensen in de val om zich toch vooral te gaan bezighouden met het ongewenste gedrag van al die matrozen – voor de één zijn er angst- en weerbaarheidstrainingen en voor de ander workshops impulsbeheersing of verslavingsklinieken; de ggz verzuipt onder het gewicht van haar eigen aanbod. Maar het kan echt veel effectiever, zoals Tiffany ons laat zien. Een stevige kapitein die koers zet naar de juiste bestemming, namelijk die van het verlangen, dat is alles wat er nodig is. Onze kapiteins, díe moeten op cursus. Om te leren niet wég te koersen van de diepe wateren, zoals die van Tiffany, maar juist er naartoe. Het ongewenste gedrag van de matrozen heeft ook altijd een kwaliteit in zich en een goede kapitein weet die te vinden. De matrozen gezamenlijk een moeilijke klus laten klaren, er is weinig zo bevredigend en zo goed voor het zelfvertrouwen. Tiffany geeft haar team dan ook een compliment voor de samenwerking. 

Mijn driejarige (Angst) bezweert mij iedere maand om mijn blog alstublieft niet te plaatsen. Straks krijgen we nog haatmail! Ik zet mijn kapitein aan en luister naar Angst, ik stel voor om de blog samen nog eens door te lezen om te checken of er blunders of beledigingen in staan. En ik stel haar gerust; áls er al haatmail zou komen, is zij niet degene die daarmee hoeft te dealen. Daarna bedank ik haar voor haar alertheid. Mijn zestienjarige (Rebel) vindt het allemaal bullshit. Als ik dan per se een blog wil plaatsen moet ik dat vooral maar doen, maar zij wil geen gezeur horen als de hele wereld straks niet datgene gaat doen wat ik zo nodig moet prediken. Ik beloof haar dat ik nog steeds van haar zal houden als ik straks uncool ben en ik bedank haar omdat ze me nederig houdt. Perfectionist (die van mij is een jaar of twaalf, vermoed ik) deed in de eerste alinea al een duit in het zakje: ik haal een kennelijk beroemd iemand aan en ik weet niet eens wie zij is. Je zet ons voor paal hoor! zegt ze, ik heb er maar even een geintje van gemaakt om jouw gezicht te redden. Dank je, Perfectionist. Dat was een perfecte illustratie. We kunnen de blog plaatsen.

De moraal van dit verhaal? Zet je kapitein aan. Train hem of haar. Dat kun je leren, kijk maar naar Tiffany – al maakt die er een emotionele klucht van. Wil jij emotionele grond vinden, geef je kapitein dan de opdracht om je verlangen serieus te nemen.

Naschrift:
Een trailer van Inside Out
Aanrader! Brengt de matrozen goed in beeld.