KOPP-blog: zon, zee en een handdoekenoorlog

IK SCHRIJF DEZE BLOG OP EEN BALKON OP TENERIFE,
één van de Canarische eilanden. Vanaf het balkon zie ik de Atlantische Oceaan en, bij helder weer, de contouren van La Gomera. De Canarische eilanden liggen ter hoogte van de Sahara, maar omdat het eilanden zijn, is het er redelijk koel: het hele jaar ligt de temperatuur er tussen de twintig en dertig graden. Voor mij paradijselijke omstandigheden! Net als die blauwe oceaan met een enkel wit oplichtend bootje; ik kan er uren naar kijken. Ook naar de – meest Engelse – gasten in dit complex trouwens.

Als ik over de rand van mijn balkon naar beneden kijk, ligt daar het zwembad met de ligstoelen eromheen. ’s Avonds moeten die ligstoelen leeg, da’s de regel hier. Maar ’s ochtends, simsalabim, liggen er om half acht al bezitterige handdoeken op, terwijl: het zwembad gaat pas om negen uur open. Wie sturen ze er toch zo vroeg op uit om deze dagelijkse plicht, het claimen van het territorium, te vervullen? Wij krijgen ze niet te zien; als wij om zeven uur vertrekken voor ons dagelijkse zwemrondje in zee, zijn de stoelen nog leeg. Vanaf negen uur liggen de Engelsen vervolgens de hele dag te bakken op die handdoeken. Ja, ik heb daar een oordeel over. Oh-oh, dat is niet zo netjes van mij. Maar ik mag het toch wel grappig vinden? onderhandel ik. Waarom heb je het nodig om te oordelen? is de irritante wedervraag van mijn volwassen zelf. Tssss. Daar ga ik nu niet over nadenken. Ik heb vakantie!

Tussen Tenerife en La Gomera zwemmen honderden kleine walvissen en dolfijnen. En voor vijftien Euro ga je een uurtje of twee de zee op om ze te spotten. Een groter genot is voor mij niet denkbaar; met de wind in je haar de golven doorklieven, een spoor van wit opspattend schuim achter je laten waar dolfijnen graag op schijnen te surfen. Op ieder van die tochtjes heb je honderd procent garantie dat je óf dolfijnen, óf walvissen te zien krijgt. Toen wij hier twee jaar geleden waren, zwommen de dolfijnen mee met onze boot en als we vaart maakten, maakten zij er een wedstrijdje van. Dat zij glansrijk wonnen, terwijl ze ondertussen nog tijd hadden om speels op te springen uit het water. Ik vind het wat gênant om toe te geven, maar goed: het contact met deze dieren ontroert mij diep. Het is namelijk echt contact. De walvissen zijn óók prachtig, zoals die daar goed hoorbaar liggen te ademen, maar die doen, net als de koeien in de wei, gewoon hun eigen ding. Ze laten niet eens merken dat ze je gezien hebben. Nee, dan de dolfijnen. Die wil ik weer zien! Dus in de twee weken die we nu op Tenerife doorbrengen, gaan we gewoon om de dag de zee op. 

Maar shit: tot nu toe nog geen dolfijn gespot. Wel een heleboel walvissen. En ik voel me teleurgesteld. Wat? Ik zit hier op een paradijselijk eiland en ik ga om de dag met de wind in mijn haar de zee op, en dan ben ik teleurgesteld omdat de dolfijnen zich niet laten zien? ‘Belachelijk’ is nog het meest milde woord dat superego hier voor mij in petto heeft!
Oké, nu dan toch even dat oordeel eraf. Ik voel me dus teleurgesteld. En daaronder ontdek ik (wat ik nooit zou ontdekken als ik het oordeel niet zou afpellen) dat ik een heel klein meisje word. Het is mijn schuld dat ze niet komen. Ik ben natuurlijk niet leuk genoeg.

Dát is een bekend riedeltje voor mij. Een stukje script of, zoals ik het ook vaak noem: mijn filmpje. Het filmpje dat voor mij gaat draaien is dat iedereen liefde, cadeautjes en mooie ervaringen krijgt van fijne warme ouders, behalve ik. Ja, éven lijkt het er steeds op en het kleine meisje hoopt, anticipeert, zit op het puntje van haar stoel… maar nee. Toch weer niet voor mij. 
Ditzelfde filmpje activeerde ik zelfs dagelijks toen ik moest bevallen, in een grijs verleden. Mijn baby was twee weken over tijd. Iedere avond voelde ik de blije opwinding: vannacht gaat het gebeuren. En iedere ochtend werd ik wakker met dat bekende gevoel van teleurstelling: weer niks. Voor mij is dat zeker niet weggelegd. Ik had een buik als een yogabal en hij zou er heus wel uitkomen, goedschiks dan wel kwaadschiks, maar die teleurstelling trok zich echt niets aan van de rede. Dat is overigens niet meer dan logisch, want teleurstelling is afkomstig uit een ander deel van het brein. Maar daarover een volgende keer meer. 

Terug naar de dolfijnen. Hoe meer dagen zonder, hoe chagrijniger ik word, en hoe scherper mijn oordeel over die Engelsen. Zonde van mijn vakantie. Dus ik doe er iets mee, zoals ik weet dat nodig is. Ik maak contact met het kind. Hoe vaak heb ik als kind op het puntje van mijn denkbeeldige stoeltje gezeten, in de hoop dat mama me nu wél zou zien? Een complimentje zou maken? Me op schoot zou trekken? Door mijn haar zou kriebelen? Uit liefde voor MIJ, dus niet om haar eigen gaten te vullen? En hoe ontroostbaar ben ik nog steeds, diep vanbinnen, omdat mijn moeder me zulke broodnodige dingen niet heeft kunnen geven? Als ik daar contact mee maak, voel ik dat het klopt. Hier gaat het over. De innerlijke overtuiging dat ik niet goed genoeg ben om de liefde van mijn moeder te verdienen. Niet zozeer over dolfijnen en al helemaal niet over de handdoekenoorlog van de Engelse badgasten. Het verdriet dat ik hier aanraak, is zo groot als de Atlantische oceaan en inmiddels welbekend voor mij. Omdát ik het nu even aanraak, en omdát ik het ken, kan ik het daar ook laten. En daarmee is de teleurstelling weg. Het is nog steeds erg jammer dat ik tot nu toe geen dolfijnen heb gezien, maar de lading is eraf.

En die Engelsen? Ik heb het met ze te doen. Het veroveren van hun vaste plek aan het zwembad is voor hen net zo belangrijk als de dolfijnen voor mij. De verbetenheid waarmee zij hun plek bevechten moet hen toch veel stress geven. Zonde van hun vakantie!