KOPP-blog: eerste hulp bij keuring

LANG GELEDEN GING IK ALS ZESTIENJARIGE OP MEZELF WONEN.
Omdat er gezinsontwrichting was aangetoond, kreeg ik een bijstandsuitkering. Ik heb die uitkering gehouden totdat ik op mijn 27stede minimale stabiliteit en vooral de moed had gevonden om mijn diensten tegen betaling te gaan aanbieden. Daar heb ik ruim tien jaar over gedaan. Niet dat ik tussendoor niet werkte, ik heb veel vrijwilligerswerk gedaan. Maar me laten betalen, dat was een heel ander ding. Dan moest ik volwassen gaan presteren, en ik geloofde niet dat ik dat kon. Ik voelde me namelijk nog een kind, en dat was ik in veel opzichten ook. De eerste dagen in die baan heb ik úren gehuild bij thuiskomst. Ik was zo verschrikkelijk bang om redenen die ik zelf niet begreep. Om bekeken en beoordeeld te worden. Om gewogen en te licht bevonden te worden. Jij bakt er niks van. Daar kunnen we geen geld voor neerleggen. Ga jij maar weg. Wat er van mij gevraagd werd in die baan, was ver onder mijn niveau. Maar ik had niet meer aangekund. Ik had 80% van mijn energie nodig om überhaupt overeind te blijven in zo’n volwassen setting. Er bleef nog 20% over voor mijn werk, en dat was net genoeg. Vijf werkdagen redde ik al snel niet meer. Het werden er vier, met een adempauze op woensdag. Gelukkig werkte mijn werkgever daaraan mee. Ik kon deze dingen zo voor mezelf regelen omdat ik mijn traumasymptomen niet meer veroordeelde. Weliswaar was ik me er niet van bewust dát het traumasymptomen waren; ik dacht dat ik gewoon een beetje gek was. En juist doordat ik dat toen accepteerde, kon ik gaan groeien.  

Dus je bent bijvoorbeeld nog nooit aan het werk geweest omdat je simpelweg te bang bent om te solliciteren. Of je krijgt geen opleiding afgerond omdat je faalangst en/ of sociale angst hebt. Of je bent uitgevallen op je werk vanwege burn-out of andere stress-symptomen. Allemaal situaties waarin je niet in staat bent om te beantwoorden aan de verwachtingen die aan een gezonde volwassene gesteld worden. Door je omgeving en niet in het minst ook door jezelf. Jíj bent toch niet gek?? Je vader of je moeder, díe is (of was) gek, jij niet. Maar toch lukt het je niet om mee te komen of om erbij te blijven. Je voelt je machteloos en gefrustreerd. En misschien ook wel eindeloos verdrietig, als je nog jong bent en al je vrienden op een trein ziet stappen waar je zelf niet op kunt komen. Zo voelde ik het ook, jarenlang. De trein des levens reed aan mij voorbij.

Al kun je niet werken, je moet toch leven. Voor dit soort omstandigheden hebben we daarom sociale voorzieningen. En waar voorzieningen bestaan, zijn er ook altijd types die proberen om daar ten onrechte gebruik van te maken. Dus die mensen daar moeten wel een beetje opletten of het terecht is dat jij aanspraak komt maken op een voorziening. En zo kom je dus in een situatie terecht waarbij jij afhankelijk bent, voor je geld – en dus voor je leven – van het oordeel van een ander.

Precies zoals we, iedere keer dat we onze tanden poetsen met een tandenborstel, een beroep doen op onze allereerste herinneringen aan hoe-een-tandenborstel-te-gebruiken, zo ook doet zo’n situatie een beroep op jouw allereerste herinneringen aan de tijd waarin je voor je leven afhankelijk was van het oordeel van een ander. Dat noemen we overdracht. Zo zijn wij mensen gebakken, een handigheidje van moeder natuur. Anders zou je iedere dag naar je tandenborstel kijken en je afvragen wat je met dat ding moest. Gelukkig hebben we dat wiel ooit al eens uitgevonden, en gaat dat proces nu volkomen automatisch. Bij de goede, gezonde dingen die je ooit geleerd hebt, werkt het systeem prima. Maar het gegeven ‘afhankelijk zijn’ is ook een soort tandenborstel. Je hebt ooit geleerd hoe te overleven in een onveilige situatie toen je een afhankelijk, klein kind was. En simsalabim… je zit er weer middenin. Middenin je overleving, want je bent een KOPP’er. Daarom zit je daar voor die verdomde beoordeling. Je valt uit (of je hebt nooit kunnen beginnen met werken) vanwege vroegkinderlijk en/ of chronisch trauma en degene die jou nu moet beoordelen, triggert precies die traumatische stress. Niet vanwege de persoon, maar vanwege de verhoudingen.

Zoals ik eerder al schreef in mijn blog ‘trauma’ is het moeilijk om helder te communiceren over de inhoud van je trauma zolang je daarmee nog aan het worstelen bent. Dat komt door de aard van traumasymptomen. Als je getriggerd wordt door degene met wie je geacht wordt om erover te communiceren, wordt het zelfs bijna onmogelijk. Een trigger zuigt je als het ware terug in het kind dat je ooit was en je beschikt ineens niet meer over je volwassen brein. Ik noem dat ‘in je kind schieten’ en dat verschijnsel is verdomd onhandig tijdens zo’n beoordeling. Als de bedrijfsarts aan je vraagt: Hoe gaat het met je? en jij hoort, vanuit jouw trauma: Je mag geen aandacht vragen, ik kan het niet aan als jij aandacht nodig hebt, dan hoor je jezelf voor je het weet zoiets zeggen als: Oh, goed hoor. Maak je over mij maar geen zorgen! Dat heeft niet het gewenste effect. Vanuit mijn specifieke trauma hoorde ik niet Hoe gaat het met je? maar Stel jij je niet aan? Ik voelde me bij zulke gesprekken bij voorbaat niet gehoord en niet geloofd, wat maakte dat ik me angstig en verbolgen opstelde. Die houding heeft ook nooit echt geholpen.

Je komt in de problemen als je je eigen traumasymptomen niet kunt accepteren. Dan zul je namelijk proberen om ze uit het zicht te houden bij een bedrijfsarts of UWV. Dat werkt averechts, je hebt nou juist recht op ondersteuning OMDAT je aan traumatische stress lijdt. Als je je hebt ziekgemeld met een gebroken been, ga je ook niet het gips eraf halen en net doen of er niks aan de hand is als je naar de bedrijfsarts moet. 

In zo’n gesprek gaat het dus over de vraag of jij recht hebt op ondersteuning. Het is belangrijk om die vraag goed voor ogen te houden. Het gaat niet over de vraag of jij wel deugt, goed genoeg bent om liefde te krijgen, de ander emotioneel stabiel moet houden, of je überhaupt wel mag bestaan. Het gaat over jouw vermogen om zelfstandig in je onderhoud te voorzien. 

Als je recht wilt doen aan jezelf, is het voor zo’n gesprek fijn als jij van tevoren goed nadenkt over waar jíj vindt dat je staat in relatie tot die vraag. In het hier en nu. 

  • Als je nooit hebt gewerkt: wat gebeurt er met je als je denkt aan werken? Voel je je ertoe in staat? Waarom wel/ niet? Wat maakt dat het niet lukt, waar ben je bang voor? Hoe uit die angst zich? Als je dat allemaal niet helder hebt, kun je formuleren hoe dat voor je is – mistig, wazig, ver weg, een black box, een blurr, verwarring…
  • Als je uitgevallen bent op je werk: Ben je eraan toe om je uren uit te breiden? Is het goed zo, en wil je het nog een poosje zo houden? Wil je juist terug in uren? Wil je er liever niet aan denken om naar je werk te gaan? Maakt alleen de gedachte aan je werkplek je al kotsmisselijk? In deze hele range is van alles mogelijk. Formuleer eerst eens helder voor jezelf waar jij voelt dat je staat. En als je dat niet helder hebt, kun je formuleren hoe dát voor je is. 

Schrijf dat op, oefen het uitspreken van de zinnen, en neem het briefje mee naar het gesprek.

  • Formuleer ook voor jezelf waar je mee bezig bent, alleen in de grote lijn, en wat dat met je doet. Bijvoorbeeld: Ik heb ontdekt dat ik een KOPP’er ben, en ik begin te beseffen wat de impact daarvan is. Ik voel me daarbij … (verward, angstig, boos, verdrietig, leeg, moe, machteloos, gestrest). Voor het geval ernaar gevraagd wordt, het werkt goed om van tevoren te bepalen tot hoe ver je in detail wilt gaan over de aard van jouw KOPP zijn. Iets als Mijn moeder was depressief en mijn vader was er nooit, ik zorgde al voor het gezin toen ik zes was, is relevant om te zeggen. Verder in detail hoeft niet. 

Deze zinnen ook opschrijven.

Het briefje neem je mee naar het gesprek voor het geval je geen contact kunt houden met deze feiten en gevoelens in aanwezigheid van de persoon die jou moet beoordelen. Het is heel begrijpelijk als je tijdens zo’n gesprek in je kind schiet en ineffectief gaat communiceren; dat is de aard van dit soort trauma. Als je merkt dat dat gebeurt, kun je zo’n briefje gebruiken. Dat kan op verschillende manieren. Je kunt het voelen in je zak tijdens het gesprek. Dat is misschien al voldoende. Je kunt het ook voorlezen, of – in het ergste geval – domweg overhandigen. Je hoeft dan alleen maar te zeggen: ik klap dicht tijdens zo’n gesprek.

Tot slot nog een tip voor wie de neiging heeft om de keuringsarts over de tafel te trekken, nog voordat die überhaupt een vraag gesteld heeft: Ga eerst een rondje hardlopen om de ergste stoom af te blazen. En zeg bij binnenkomst meteen dat je een issue hebt met boosheid. Als de ergste druk eraf is, zal het gesprek daarna gemakkelijker verlopen. En je voorkomt daarmee misschien zelfs wel een burn-out bij de keuringsarts, want dat is ook maar een mens.