KOPP-blog: de missing link

BEGIN JAREN ZEVENTIG VAN DE VORIGE EEUW
kreeg mijn moeder de diagnose paranoïde schizofrenie. De psychiater zei tegen mijn vader: Ik vind het heel erg voor u meneer, maar dit is chronisch en ongeneeslijk. Mijn vader nam zijn verantwoordelijkheid, al was dat een hartverscheurend drama. Hij heeft ervoor gezorgd dat zijn kinderen niet verder hoefden op te groeien bij een moeder die geen contact kon maken met de realiteit. Dat is namelijk zeer traumatiserend.

Bij ons was de situatie overduidelijk. Paranoïde schizofrenie was een diagnose die stond als een huis. Dacht iedereen. Jaren later was er eens een jonge psychiater die nieuwsgierig was naar de omschrijvingen van de diagnoses in verschillende landen, en hij ontdekte dat onder de noemer schizofrenie in Engeland iets heel anders verstaan werd dan in Frankrijk, en weer iets anders dan in Nederland. Dat was een probleem voor de beroepsgroep van psychiaters.
Eigenlijk waren het natuurlijk twee problemen. Er bestonden verschillen in interpretatie tussen de landen, en daaruit moest je concluderen dat men niet precies wist wat schizofrenie dan was. En dat gold niet alleen voor schizofrenie; de oorzaken en precieze betekenis van psychi(atri)sche problematiek wáren niet bekend. Een missing link.

Er bestond in Amerika een standaardwerk dat deze verschillen gelijk kon trekken en dat is ook in Nederland in zwang geraakt. De DSM (Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders) rubriceerde alle bekende psychi(atri)sche ziektes netjes met de symptomen erbij, zodat daarover geen verwarring meer kon ontstaan. Daarmee is de DSM eigenlijk een soort lijst met afspraken: als deze symptomen zich voordoen, noemen we dat X. Dit betekent nog niet dat X op enige manier begrepen wordt. Het is zelfs zeer de vraag of je al dat het beschreven gedrag eigenlijk wel ‘afwijkend’ moet noemen, aangezien dat een interpretatie is en daarmee niet erg wetenschappelijk. Ter illustratie, in de oorspronkelijke DSM trof je in de opsomming van gektes ook homoseksualiteit aan. 

De DSM dus. Zolang de oorzaken van psychische en psychiatrische problematiek onbekend zijn, moet je je behelpen met dit soort afspraken, daar valt niks op af te dingen. Zolang je je maar blijft realiseren dat het afspraken en definities betreft. Het is eigenlijk net zo’n soort afspraak als het KNMI maakt: Als het vijf dagen boven de 25 graden is waarvan tenminste drie boven de 30, noemen we dat een hittegolf. Of die hittegolf wel of niet fijn is, kun je heel verschillend beoordelen. Hetzelfde geldt voor de vraag hoe die hittegolf daar komt. Is hij door god gezonden of het resultaat van een complex systeem aan luchtstromen en opwarming door de zon?

Wat vroeger ‘god’ was, kun je tegenwoordig vertalen met ‘het cognitieve brein’. Dat zit in onze cultuur stevig op de troon en kreeg dus vanzelf de credits voor het veroorzaken van psychi(atri)sche problematiek toen men een jaar of dertig geleden begon met het in kaart brengen van onze hersenpan. Er werd voetstoots vanuit gegaan dat dáár alle gektes gelokaliseerd zouden worden. Het medische en materiële model: een ziekte heeft een oorzaak in de materie en die zit op een bepaalde plek in het lichaam. Voor veel (maar niet voor alle!) fysieke kwalen voldoet dit model inderdaad uitstekend.  

Helaas, waar het gaat over psychisch lijden bleef dit onderzoek zonder resultaat. Jammer genoeg was er al wel op allerlei manieren een voorschotje genomen op de verwachte resultaten. De DSM is in de geestelijke gezondheidszorg een ijzeren wet geworden en de – in aantal almaar groeiende – afwijkende gedragingen kregen de misleidende naam ‘stoornissen’ van de hersenen. Handig voor de verzekeraar, deze duidelijkheid. De geestelijke gezondheidszorg en de verzekeraars houden elkaar inmiddels al vele jaren in een wurggreep en de lijm ertussen is de DSM. Met wetenschap heeft dit alles niet veel te maken.

De jonge psychiater uit de tweede alinea (Jim van Os) is inmiddels hoogleraar psychiatrie en een voorvechter van een andere manier van kijken naar psychisch lijden. Hij lanceerde een kleine vijf jaar geleden de kreet Schizofrenie bestaat niet!  Sindsdien is er – heel langzaam, vanwege de wurggreep –  het één en ander aan het veranderen.
Had mijn moeder dan geen schizofrenie? Ze was chronisch licht psychotisch en daarbij erg wantrouwend. Was dat dan een hersenstoornis? Daar geloof ik, net als Jim van Os, niets van. 

Ervaringsdeskundigen die zelf een herstelproces hebben meegemaakt, van welke ‘stoornis’ dan ook, weten dat iets heel gewoons als emotioneel en fysiek goed voor jezelf zorgen cruciaal is voor herstel. Het vermogen om tot je nemen wat je nodig hebt (zuurstof, voeding, vocht, veiligheid, emotionele verbinding met andere mensen) en af te weren of los te laten wat je niet nodig hebt (giftige stoffen, langdurige stress, oud zeer, vijandigheid en negativiteit) is essentieel voor je psychische gezondheid. Evenals de balans tussen de polariteiten: rust en activiteit, alleen en samen, stevig en zacht, warm en koud. 

Het lukt de meeste volwassenen aardig om voor zichzelf te zorgen. Het vermogen daartoe wordt daarom als vanzelfsprekend beschouwd, maar dat is het allerminst. Juist KOPP’ers weten hier alles van.
Er is namelijk een factor die op dit vermogen buitengewoon verstorend werkt: psychotrauma. De missing link. Mijn boek over dit complexe onderwerp is nog steeds in de maak. 

Helaas heeft mijn moeder geen kans gehad op een herstelproces. Die wake-up-call is iets van mijn generatie, en hopelijk blijft het bewustzijn aanwezig in alle volgende generaties, zodat het uiteindelijk niet meer zo ver hoeft te komen dat mensen chronisch ontregeld raken. 
I have a dream!