KOPP-blog: adem in, adem uit

KEN JE DIE NOG VAN HET DOMME BLONDJE BIJ DE KAPPER?
De kapper knipt per ongeluk het draadje van haar koptelefoon door (dat ding mocht per se niet af) en het blondje stort levenloos ter aarde. Nieuwsgierig naar de doodsoorzaak luistert de kapper het bandje van haar walkman af (ja, deze ouwe mop gaat over antieke voorwerpen) en daarop vallen de volgende onsterfelijke woorden te beluisteren: Adem in, adem uit. 
Wie vergeet er nou te ademen?

Als wij KOPP’ers hadden moeten stoppen met ademhalen om onze ouder(s) overeind te houden, hadden we dat zonder meer gedaan. Volg even deze bizarre gedachtegang, beste lezer. Stel je voor dat je zoiets zou kunnen overleven, stoppen met ademhalen. En je zou volwassen worden, op jezelf wonen, je niet meer hoeven aanpassen aan je ouders. Misschien zou je ernaar verlangen om de kunst van het ademhalen op je twintigste, dertigste, veertigste alsnog te leren. En stel dat dat zou kunnen, dan kun je je misschien ook voorstellen dat je jezelf tijdens dat leerproces daar regelmatig aan zou moeten herinneren. Of dat iemand anders, bijvoorbeeld je partner, met enige regelmaat tegen je zou moeten zeggen: Adem in, adem uit.Omdat je dat nooit geleerd hebt. Of liever gezegd: al heel vroeg hebt afgeleerd. En de rest van de wereld zou daar NIETS van begrijpen.

Wat wij KOPP’ers maar al te vaak heel vroeg al hebben afgeleerd, is niet ademhalen maar het registreren van onze eigen gevoelens. Als het zwaartepunt van de gebeurtenissen thuis niet zozeer in de babytijd maar meer in de peutertijd lag, verschuift het probleem zich van leren voelen naar leren willen. En zo heeft iedere ontwikkelingsfase zijn eigen thema. In deze blog ga ik in op het basisthema: niet leren registreren van je eigen gevoelens.
Ken je dat, dat je in je baan, of in je gezin, op een dag merkt dat je óp bent. Dat je het niet meer trekt dat er voortdurend een beroep op jou gedaan wordt, dat je er woedend van wordt of juist depressief en wanhopig, of een combinatie van die twee. Voordat je op zo’n punt bent uitgekomen, zijn er al een heleboel grenzen overschreden. Wat andere mensen meestal niet in de gaten hebben. We gaan er namelijk vanuit dat iemand, als zijn of haar grens wordt aangeraakt of dreigt te worden overschreden, daarop zal reageren. 
Want wie vergeet er nou te voelen?

Natuurlijk is het registreren van gevoelens – en je daar vervolgens op een handige manier mee leren verhouden – vele malen complexer dan simpel in- en uitademen. Dus daar kunnen we het beste maar jong mee beginnen. En dat is waar het bij KOPP’ers juist misgaat. Je op een niet-effectieve manier verhouden met je gevoelens, dat is zo’n beetje het synoniem voor psychische problemen. Althans, in mijn definitie. Dus als (één van) je ouders dat al niet kon(den), hoe moet je dat als kind dan leren?

In principe worden we allemaal geboren met het vermogen om te voelen. We voelen ons lichaam en dus ook onze emoties, want die maken zich kenbaar door middel van een fysieke sensatie. Nou is het merkwaardige met emotie dat die zich ook in een ander lichaam kan laten voelen. Dus ik kan jouw emotie voelen. Dat noemen we empathie. Ik heb de klok horen luiden over spiegelneuronen, daardoor komt dat neem ik aan. Baby’s en jonge kinderen voelen alles wat hun primaire verzorger, meestal de moeder, voelt. En daar hebben we KOPP-probleem nummer één te pakken: als een moeder bang is, zichzelf emotioneel niet kan dragen en haar partner dat ook niet kan compenseren, dan zijn de emoties van de moeder urgenter voor het kind dan zijn eigen emoties. Het kind is voor zijn leven immers afhankelijk van de ouders.

Ook als de vader degene is met de psychische problematiek, verloopt dit proces op jonge leeftijd via de emoties van de moeder – het kind stemt zich af op de angst en stress van de moeder die veroorzaakt wordt door de problematiek van de vader. Pas op wat latere leeftijd gaan de kinderen zich rechtstreeks met de angst of onmacht van de vader verhouden. 
(Het gaat hierbij niet per se om sekse van de ouder, meer om de positie van primaire verzorger. De vader kan ook de primaire verzorger zijn; dan worden de rollen omgedraaid).  

Om in de metafoor te blijven: dit kind leert niet om zijn eigen longen te vullen met adem, maar die van zijn moeder. Later komen daar de longen van anderen bij, de vader, broertjes en zusjes. En nog weer later: de partner, de collega’s, de kinderen. De meeste KOPP’ers hebben uitstekende antennes voor de gevoelens en behoeften van de hele wereld, maar ze hebben geen idee wat ze zelf voelen. 

Hoe bizar dat ook lijkt, KOPP’ers moeten heel vaak leren hun eigen emoties te voelen. En daar begint het pas. Want als je dan eindelijk zo ver bent dat je voelt, moet je je wel tot die gevoelens zien te verhouden. Er uiting aan geven, of juist niet. Op gepaste wijze. Precies de vaardigheden die kleine kinderen moeten leren en grotere kinderen moeten verfijnen. En die doen daar járen over, dus zet jezelf nou niet extra onder druk met de verwachting dat je dat varkentje binnen acht weken gaat wassen. Je bent dan wel een KOPP’er, maar nog net geen supermens.
En vergeet ondertussen niet om door te ademen.