KOPP-blog: het taboe op trauma

ZOALS ZOVEEL KOPP’ERS HEB IK ALS JONG KIND ANGSTIGE,
pijnlijke en diep-verdrietige dingen meegemaakt. Een moeder met schizofrenie en drie kinderen onder de vijf, dat kan niet goed gaan en dat ging ook niet goed. Er waren beangstigende aanvaringen, een beangstigend gebrek aan veilige grond en vooral veel verwaarlozing in mijn eerste drie jaren. Het drama eindigde met een grote knal waarbij mijn moeder van het toneel verdween. Wij kinderen werden in verschillende gezinnen ondergebracht, het werden twee jaren waarin – in elk geval bij mij – nog de nodige schade is aangericht.

Dankzij de inspanningen van mijn vader om ons weer bij elkaar te brengen, konden we na twee jaar een nieuw begin maken met hem en een stiefmoeder. Een tijdlang kwamen we met zijn allen min of meer tot rust. Er kwam een elegante omgangsregeling met onze moeder. Het enige dat eraan ontbrak was iemand die ons kon leren om ons emotioneel te verhouden met alles wat er gebeurd was. Daar was de tijdgeest niet naar, er was geen hulpverlening voor getraumatiseerde vaders met getraumatiseerde kinderen. Of voor stiefmoeders met een getraumatiseerd gezin. Of misschien was die er wel, maar daaraan zou mijn vader ons nooit toevertrouwd hebben. De tijdgeest was van de ratio, de generatie van mijn ouders is van de ratio, mijn vader was – vooral als de stress opliep – in het kwadraat van de ratio. En oh, wat heb ik me daaraan gestoten in mijn verdere leven. Wat is dat een trigger geworden en wat kan ik me daar nog steeds over opwinden. Ik zal het even demonstreren; hier volgt een opgewonden betoog. Voor iedereen die zich erin herkent. 

In de Middeleeuwen verbrandden we heksen, geloofden we in de almacht van de kerk en een platte aarde. De onwetendheid veroorzaakte enorm veel leed, en omdat mensen altijd streven naar groei en verbetering kwam toen de Verlichting. In dit nieuwe tijdperk ontstond de waardering voor de ratio. De wetenschap ontwikkelde zich, de wereld werd rond, voorheen ongeneeslijke ziektes werden begrepen en behandelbaar, heksen niet meer verbrand. Allemaal prachtige ontwikkelingen. Ik zou niet terug willen naar de Middeleeuwen.

Maar er is ook een keerzijde. Helaas kwam met de waardering voor de ratio gaandeweg ook minachting voor het emotionele, intuïtieve en spirituele. In onze tijd is dat duidelijk zichtbaar. Er is minder ruimte voor geloof, mensen die zichzelf ‘heks’ noemen, doen dat in het geheim en er bestaat een fanatieke Vereniging tegen de Kwakzalverij die een extreem voorbeeld is van het denken in onze tijd.
In de (geestelijke) gezondheidszorg worden alle behandelmethodes die binnen ons door wetenschap én verzekeraar gesteunde systeem vallen, gelabeld als ‘evidence-based’. Een erg misleidende term, die bovendien suggereert dat alles wat daar niet onder valt DUS niet effectief is. In de praktijk blijkt het tegendeel. Methodes die ‘bewezen’ zouden werken, zoals cognitieve gedragstherapie, krijgen een dikke onvoldoende voor effectiviteit, zeker op de lange termijn. En naar behandelwijzen waarvan ‘niet bewezen is dat ze werken’, is over het algemeen gewoon nog geen onderzoek gedaan. Maar toen nog niet bewezen was dat de aarde rond was, was ‘ie toch ook niet plat, of wel dan?

Met de ratio op de troon hebben we in onze cultuur een zintuig verloren. We zijn er, zeg maar, blind voor geworden. Op een enkele plek in het veld wordt die kwaliteit nog wel benoemd – het niet-pluis-gevoel van de arts, of the-gut-feeling van de rechercheur, met de aanbeveling om dat serieus te nemen. Maar vooral niet te veel en te vaak: dan ben je zweverig. Als je erbij wilt horen en serieus genomen wilt worden, moet je het zintuig gevoel buitenspel zetten. Vrijwillig stekeblind, godnondeju.

Zoals het te weinig aan ratio dood en verderf zaaide in de Middeleeuwen, zaaide de ontkenning van en minachting voor gevoel en intuïtie de afgelopen eeuw dood en verderf. Als je je gezonde intuïtie niet gebruikt, kun je geloven dat baby’s geen gevoelens hebben en dat je hen zonder gewetensbezwaren in een stille kamer in hun eentje kunt laten brullen als het nog geen tijd is voor de volgende voeding. Rust, Reinheid en Regelmaat. Zonder voeding gingen baby’s dood, dat was bewezen. Maar zonder liefde en koestering was er geen schade die bewezen kon worden, dús was er geen schade. Míjn moeder deed het tenminste nog per ongeluk.

De ratio op de troon, vooral in de (geestelijke gezondheids)zorg, is als een blinde olifant in een porseleinkast. Hij veroorzaakt brokken en de blinde olifant voelt ze wel, die scherven, maar omdat hij ze niet kan zien, blijft hij ontkennen dat ze bestaan. Eén voorbeeld van de brokken die dat geeft in de ggz, is hertraumatisering. Psychotrauma wordt daar nauwelijks erkend, zeker niet als onderliggende oorzaak van psychische/ psychiatrische problematiek. Terwijl het verband zonneklaar is voor iedereen die zijn gezonde intuïtie gebruikt. Maar de olifant kan psychotrauma niet zien, en omdat hij degene is die op de troon zit, mogen anderen dat ook niet. Blind zijn is de norm, psychotrauma is een taboe. Stel dat de olifant ineens zijn afgedankte zintuig zou gaan gebruiken, dan zou hij 1. de pijn van zijn eigen scherven gaan voelen en 2. moeten onderkennen dat hij schuld draagt aan hertraumatisering van anderen. Dat is wel een heel grote stap over je eigen schaduw heen. Ik vrees dat er nog een generatie overheen zal gaan voordat in de ggz behalve de ratio ook de intuïtie weer mag meedoen. Godnondeju.

Dusssss. Typisch geval van een trigger. Zoals meestal als iemand zich ergens erg over opwindt. Waar het op neerkomt, is dat ik persoonlijk erg heb geleden onder het niet erkend en gesteund worden in de gevolgen van het trauma dat ik heb opgelopen. Dat was pijnlijk en gekmakend, en de woede daarover is nog niet helemaal weg, zoals je merkt. Al gaat het al een stuk beter dan een paar jaar geleden. Nu kan ik er tenminste een – min of meer – coherent verhaal over schrijven.

Hier heb ik dus zelf nog te dealen met woede en rouw. Wat niet wegneemt dat er toch echt een hele ggz bestaat waarin al dat trauma van al die cliënten (80% van de ggz-cliënten is KOPP), niet als zodanig (h)erkend wordt. En daardoor veel te vaak geen of een inadequate behandeling krijgt. Dat is een reëel probleem in het hier en nu. Daarom werk ik aan een nieuw boek bezig over het taboe op psychotrauma. Mijn woede zal ik daarbuiten houden, die is voor in mijn blogs. Ik hoop het komende zomer te presenteren!

KOPP-blog: applaus

ER ZIJN IN MIJN GESCHIEDENIS WEINIG DINGEN DIE ZOVEEL
angst bij mij hebben opgeroepen als zichtbaar zijn. Daarvan ben ik mij lang niet bewust geweest. Ik wist wel dat ik wat rariteiten had in mijn gedrag. Als ik bijvoorbeeld het huis verzorgde bij een vriendin die op vakantie was, zette ik alles altijd precies zo terug als ik het aangetroffen had. De bus met de kattenbrokjes met dezelfde kant naar voren in de kast. De gieter op dezelfde plek met dezelfde hoeveelheid water erin. Ik zou een perfecte inbreker geweest zijn, ik liet geen sporen na. Mensen vonden dat wel eens creepy, maar dat begreep ik echt niet. Ik vond eerder dat ik applaus verdiende omdat ik net deed of ik niet bestond.

En nog steeds, als ik in een openbare gelegenheid naar het toilet ga of in een lift stap, zal ik proberen om niet gezien te worden. Ik voel altijd een soort huivering wanneer de liftdeuren zich achter mij sluiten of wanneer ik de blik van iemand over de zojuist gesloten toiletdeur voel gaan. Ja serieus, ik voel die blik.
In sommige situaties wordt juist van je verwacht dat je je zichtbaar maakt. Spreekbeurten op school: ik had er nachtmerries van en stond ’s ochtends kotsend op als ik aan de beurt was. Binnenkomen op een verjaardag, als iedereen al in die verdomde kring zit. Dat je dan al die mensen één voor één een handje moet geven, als een verplicht: ik ben er, zie mij. Verschrikkelijk. Of de opdracht om iemand wakker te maken. Ik heb een poos in een hospice gewerkt. Daar geldt een ziekenhuisritme, dus de gasten worden ’s ochtends gewekt voor verzorging en ontbijt. Het heeft me heel wat stress gegeven om op die deuren te kloppen en de gordijnen open te trekken. 

Dit soort rariteiten of onbegrijpelijke stress in je volwassen leven geeft erg veel informatie over hoe de dingen ooit voor je waren. Als het gaat over iemand wekken, is het duidelijk waar die angst bij mij vandaan komt. Mijn vader kon angstaanjagend woedend worden als we hem ’s ochtends wakker maakten. Ik heb in mijn vroegste jeugd geleerd om niet in de weg te lopen, onhoorbaar en onzichtbaar te zijn en dat heb ik tot lang in mijn volwassen leven zo volgehouden. Ik ben zelfs – je gelooft het niet – met de auto een keer de bult opgereden in het midden van een rotonde omdat er achter mij getoeterd werd vanwege een onhandige manoeuvre. Mijn instinctieve, volkomen panische reactie: uit de weg! En denk maar niet dat ik daar applaus voor kreeg. Integendeel, er werd mij toegevoegd: Ben je dronken ofzo?? Oef, wat voelde ik me toen ellendig. Zo zichtbaar ook, midden op die rotonde. Het doet nóg zeer.

Waarom is het nou nuttig om zulke draadjes terug te volgen naar hun oorsprong? Er zal altijd een kind-gevoel omhoogkomen als je grip krijgt op de wortels van je gedrag. Het gevoel namelijk dat je er toen bij had. Zulke kind-gevoelens hebben de neiging om onderlangs, onbewust dus, ons hele gedrag te sturen (ja, juist als volwassene!) en het mag duidelijk zijn dat dat niet in alle gevallen even handig is. Als je er grip op wilt krijgen, is het nodig om deze situaties door volwassen ogen te herbezien en daarbij – en dat is van cruciaal belang – mededogen te hebben met het kind dat je ooit was. Dat betekent in mijn geval dat ik warmte en liefde voel voor dat kleine Kassandra’tje dat ooit begrepen heeft dat ze in de weg liep, teveel was. Als ik uitzoom met mijn volwassen blik, dan zie ik een gezin dat toenemend klem zat omdat mijn moeder, met drie kleine kinderen, niet functioneerde. Mijn vader was wanhopig en zal mij in zijn stress vast wel eens hebben weggesnauwd. De ontknoping van de oplopende spanning was dat mijn moeder gedwongen opgenomen werd en wij kinderen bij verschillende gezinnen ondergebracht. Verschrikkelijk, maar noodzakelijk – een volwassene kan dat begrijpen. Maar wat begrijpt een driejarig kind, die het centrum van haar eigen universum is, daaruit? Ik ben teveel, het komt door mij.
En het besluit dat gevolgd is op die conclusie: Ik moet vooral niet in de weg lopen, mij het liefst onzichtbaar maken. Anders verlies ik nogmaals alles en iedereen. 

Als je het besluit dat je ooit noodgedwongen nam eenmaal helder hebt, is het gemakkelijker om mededogen te voelen met het kind dat je toen was. Maar het kost vaak veel moeite om het helder te krijgen. Het gaat hier over een oude strategie waartoe ik vroeg in mijn leven besloten heb. Later zijn daar meer geavanceerde strategieën overheen gekomen. Bijvoorbeeld: Ik word niet gezien, dus ik moet overdrijven om aandacht te krijgen. Of: De wereld is niet oké, ik krijg toch nooit wat ik nodig heb, dus ik doe niet meer mee. Het risico om te blijven hangen in het oordeel over deze strategieën (drama queen en kluizenaar, ik heb beide uitgebreid uitgeprobeerd) is groot. Maar als je het hele plaatje hebt, kun je zien dat ze beide voortkomen uit het besluit dat daar al onder lag. En mijn volwassen brein begrijpt: Als ik mij niet zichtbaar maak, zal ik ook nooit gezien worden. 

Ik ben nu vele, vele jaren en vele stappen verder. Mezelf zichtbaar maken doe ik door middel van (een filmpje op) deze website, deze maandelijkse blog, begeleiding van mensen individueel of in workshops. Ieder van deze stappen heeft mij angstzweet en tranen gekost. Om te groeien moet je niet forceren, maar wel blijven stretchen. Daarom was ik op de Kind Van Dag van Labyrint-In Perspectief, begin deze maand, de hoofdspreker. Ik heb mij daar nadrukkelijk zichtbaar gemaakt voor 150 aanwezigen en verdomd, dáárvoor kreeg ik het wel: APPLAUS!
Mijn nieuwe besluit: dat is voor herhaling vatbaar!

KOPP-blog: topsport

Opgegroeid zijn met een ouder met psychische problematiek, dat is één ding. En niet zo’n klein dingetje ook. Het kan je zo boos en bang en afkerig maken dat je – zodra je ook maar half de kans krijgt – het ouderlijk huis uit rent om er nooit meer terug te komen. Liefst ook nog zo ver mogelijk, emigreren is het beste. Mijn broer bijvoorbeeld woont sinds zijn zeventiende in Amerika. Ik gaf hem geen ongelijk destijds. Zelf vluchtte ik ook halsoverkop toen ik amper zestien was. Ik vertrok uit een huis waar de stress en angst bijna tastbaar waren. 

Ik ging op mezelf wonen en kreeg daarmee mijn eigen moeder op mijn bord. In het gezin met mijn stiefmoeder was zij – begrijpelijkerwijs – niet welkom, maar zodra ik op kamers ging zag zij haar kans schoon. Te pas en te onpas stond ze bij mij op de stoep, of erger: ze verschafte zich toegang tot mijn kamer. Hoe ze het voor elkaar kreeg was mij een raadsel, de deur was netjes op slot. Maar gewone natuurwetten leken voor mijn moeder niet te gelden. Zij kreeg altijd van alles voor elkaar wat voor een normaal mens niet is weggelegd. Als haar meest schilderachtige wapenfeit geldt wel dat ze ooit, voor mijn geboorte, een trein liet stoppen in ons dorpje, waar geen station was. Ze kreeg de machinist zover dat die haar er even uit liet. 

Of het nou kwam omdat hij van die enge schizofrene vrouw af wilde zijn of dat hij zich liet overhalen door haar charmante persoonlijkheid, vertelt het verhaal niet. En ik kan het niet beoordelen. Ik heb mijn moeder helaas alleen maar gekend als gênant irritant en beangstigend gestoord. Maar ooit was zij de frisse jonge vrouw op wie mijn vader verliefd werd.

Naarmate zij ouder werd, werd mijn moeder steeds onaangepaster en in haar laatste jaren zwierf ze vaak op straat met een brommer die ze moest voortduwen – hij reed nooit uit zichzelf. Er hingen honderd plastic tassen met troep aan die brommer, en altijd was er een rieten mandje met een konijn erin. 

En dat zooitje ongeregeld kwam dan bij mij logeren. Bij een zestienjarige die op kamers woonde in een morsig studentenhuis. Soms had ze ook nog een dito meneer bij zich die ze ergens was tegengekomen. Zo’n meneer die de dochter er bij nader inzien lekkerder vond uitzien dan de moeder. Hoe loopt dat af, denk je vast als lezer. Vooral als je zelf een moeder hebt die niet helemaal spoort en jij je dag in, dag uit uitslooft om haar leven enigszins acceptabel te houden. Haar zaken regelt, haar contactpersoon bent voor de hulpverlening, haar twintig keer per dag aan de telefoon hebt. Dan weet je maar al te goed dat ‘acceptabel’ voor een zestienjarige in die omstandigheden niet tot de mogelijkheden behoort.

Goed, ik zal het maar toegeven. Ik spoorde ook niet erg in die tijd. Vind je ’t gek? Ik zou niet weten hoe ik haar ooit op het rechte pad had moeten krijgen, maar ik had het geluk dat mijn moeder dood ging. Ik slaakte een – uiteraard geheel onbegrepen – zucht van verlichting. Ik was 21 en ik kon het boek van het leven van en met mijn moeder sluiten. Ik kon de balans gaan opmaken en tot mijn grote verbazing stortte ik daar in een diepe rouw, rouw over haar leven en mijn gemis. Daarna kon ik vaardigheden gaan ontwikkelen om emotioneel voor mezelf te gaan zorgen. Dat alles kon ik doen omdat zij er niet meer was. Ik ben inmiddels dertig jaar verder en ik werk er nog steeds aan, het is nooit klaar. 

Opgegroeid zijn met een ouder met psychische problematiek, dat is één ding. Je tot diezelfde ouder verhouden als je eenmaal volwassen bent, dat is uitdaging nummer twee. Al die KOPP’ers van wie de ouder(s) nog wél in leven zijn, die zich verantwoordelijk voelen, daadwerkelijk de verantwoordelijkheid dragen en alles wat daar tussenin zit… Zij dragen een dubbele last. Ze komen er amper aan toe om de balans op te maken en moeten hun emotionele vaardigheden gaan ontwikkelen tussen alle bedrijven door. Velen hebben zelf een gezin. Een gezin met kleine kinderen combineren met een veeleisende moeder terwijl je zelf niet eens weet hebt van je eigen behoeften, ik geef het je te doen. En weet je wat nou zo gek is? Deze KOPP’ers vinden dat vaak heel gewoon. Ze zijn stomverbaasd als ze burnout raken.

KOPP zijn is meestal zeer ingrijpend. Je moet, eenmaal volwassen, veel harder werken om überhaupt te kunnen functioneren in de maatschappij dan mensen met een meer stabiele achtergrond. Helemaal als je dan ook nog verantwoordelijkheden voor je vader of moeder draagt. Dat is niet zo gewoon als je denkt. Geef jij jezelf daar ooit de credits voor? En ben je vergevingsgezind naar jezelf als je de dingen niet voor elkaar krijgt? Realiseer je dat jouw leven topsport is, al erkent de omgeving dat niet. Weten zij veel? Gelukkig voor hen hebben de meeste mensen er geen sjoege van. Op hun erkenning kun je dan ook beter niet wachten. Erken jezelf!

KOPP-blog: de 90/10-regel –> eerste hulp bij triggers

IK KAN ONTZETTEND GETRIGGERD WORDEN DOOR MENSEN
die, ietwat uit de hoogte, menen dat ze het gelijk aan hun kant hebben met als argument: wetenschappelijk bewezen. Als iemand daarmee een dialoog plat slaat, voel ik me weggezet als een onnozele hals met idiote emoties. Voor mij een volkomen helder verband en ik ga dan ook onmiddellijk in de gordijnen, en goed ook. 
Dat is toch logisch?? kon ik vroeger verontwaardigd denken als men die reactie niet snapte. Maar op een dag leerde ik begrijpen dat dit verschijnsel dus een trigger was, en dat alle mensen verschillende triggers hebben. We hebben ieder ons eigen emotionele filtertje van interpretatie. Gevormd in de kindertijd uiteraard, en een afspiegeling van de omstandigheden van toen. En daarom bij iedereen anders.

Een trigger, een gebeurtenis in het hier en nu, is te herkennen aan het effect ervan: het slingert je terug in je kindertijd. Je wordt ineens een klein kind, emotioneel – en zelfs cognitief – heb je ze voor dat moment even niet meer op een rijtje. Je beschikt niet meer over je volwassen vermogens en je voelt je klein en machteloos. Dat is op zijn zachtst gezegd onhandig, maar vooral ook pijnlijk, beangstigend en beschamend.
Hoe meer overweldigende gevoelens van hulpeloosheid en machteloosheid vroeger, hoe meer triggerende situaties in het hier en nu. KOPP’ers hebben daar dus nogal vaak last van. Eén van de meest voorkomende vragen die ik in mijn praktijk krijg, is dan ook: hoe ga ik om met triggers? Nou ja, dat zeg ik niet helemaal goed. De vorm waarin die vraag komt is meestal: hoe zorg ik dat ik niet meer getriggerd word? Triggers moeten weg, we willen ervan af, ja, velen van ons haten zichzelf met overgave wanneer ze getriggerd worden. Wat jammer nou toch weer. Want iedere trigger is een kans om te dealen met oud zeer. Het is steeds een jonge versie van jezelf die zich daar kenbaar maakt en als je jezelf dan haat, duw je dat kind terug de hoek in. Pas als je die jonge gevoelens de aandacht geeft die ze verdienen, zullen de triggers verdwijnen. 

Dus hoe deal ik met mijn triggers? Stap 1 is natuurlijk: het herkennen ervan. Het begint met een situatie waarin je je ineens rot voelt, verdrietig of boos of angstig of een combinatie daarvan. Dat gebeurt in een context, er is altijd een aanleiding voor (al heb je soms geen idee welke). Als je de aanleiding weet of kunt terughalen, kun je beoordelen of de emotie die je voelt in verhouding staat tot de aanleiding. Bij een trigger is dat niet het geval, je herkent een trigger vooral aan een intensiteit van emotie die te groot is voor de gebeurtenis. Dus iemand probeert mij de mond te snoeren met dat is wetenschappelijk bewezen, en ik ga meteen in de gordijnen van woede. Opmerkzaam als ik inmiddels ben, heb ik wel in de gaten dat die reactie van mij wat buiten proporties is. Mocht je dat nou zelf niet in de gaten hebben, dan zijn er altijd wel mensen die je daarop opmerkzaam willen maken. Hoor je vaak iets in de trant van: waar maak je je toch zo druk over? of jemig, overdrijf je nou niet een beetje? dan wijzen die signalen in de richting van Buiten Proportie, oftewel: trigger.

Stap 2: de 90/10-regel. Bij een trigger hoort slechts tien procent van de emotie die je voelt thuis bij de aanleiding in het hier en nu. De rest is van vroeger. Dat betekent dat je ook maar tien procent van de heftigheid van je reactie in het hier en nu naar buiten moet brengen naar de betreffende persoon, althans, als je deze kunst tot in de perfectie beheerst. De rest parkeer je even tot je thuis bent. Dus ik kan kalm tegen de gestudeerde meneer of mevrouw zeggen: best mogelijk dat jij meent dat wetenschappelijk bewezen is, maar dat betekent nog niet dat het de Absolute Waarheid is. Heel fijn als dit je lukt. Als het niet lukt, is er ook nog niets aan de hand – zolang je maar zelf de verantwoordelijkheid neemt voor dat deel van je reactie dat buiten proporties is. Dus als ik ondanks mijzelf helaas toch een tikkeltje in de gordijnen ben gegaan, kan ik zeggen: sorry voor mijn buitenproportionele reactie. Die heeft niets met jou te maken. Het spijt me dat ik die lading op jouw bord gelegd heb. Is ook goed, zelfs als het de volgende dag, week of maand is. Beter laat dan nooit. 

Stap 3: de overige negentig procent. Deze stap slaan de meeste mensen het liefst over, terwijl: als je je verstand gebruikt, ligt het nogal voor de hand dat negentig procent belangrijker is dan tien procent. Je moet hem weliswaar even parkeren tijdens je actie in het hier-en-nu, daarna is het belangrijk om NIET te verzaken. Hier ligt namelijk de kans op heling. Waar gaat het over? Wat ligt eronder? Welk kind is dat, wat daar aangeraakt wordt en jou zo volledig in de emotie doet schieten? Soms weet je het, soms niet. Het vraagt wat oefening om de verbanden te leggen. In mijn geval is dit het verband: ik mocht als meisje geen verdriet tonen terwijl ik daar toch meer dan genoeg reden voor had. Ratio stond in ons gezin hoog aangeschreven, emoties werden met intellectueel geweld weggeredeneerd. Zo deden we dat. Het kind dat in mijn geval tevoorschijn komt bij deze trigger is een woedende puber die daar genoeg van heeft. En daaronder zit er nog één, dat kleine meisje dat intens verdrietig is zonder moeder, maar haar verdriet niet mag laten zien. De rouwe pijn die dat doet, dat is het gevoel dat bij mij opgeroepen wordt bij deze trigger.
De vraag die je jezelf moet stellen met betrekking tot die overige negentig procent is dus: wat voel ik? Daar moet je wérkelijk contact mee maken en er echt even bij blijven. Dat kun je doen door je te concentreren op het fysieke gevoel dat de emotie geeft, dus bijvoorbeeld druk op je borst, onrust in je maagstreek, een brok in je keel etc. 

Stap 4: Duaal bewustzijn. Vraag je je af: hoe oud is dit kind? Die informatie is belangrijk voor het volwassen deel van jezelf. Duaal bewustzijn betekent: op hetzelfde moment zowel als volwassene aanwezig zijn als contact hebben met de emotie van het kind. Als je weet hoe oud een kind is en welke emotie het ervaart, kun je met je volwassen empathie vaak wel bedenken waar het behoefte aan zou kunnen hebben. Als je het te moeilijk vindt om dit te bedenken, helpt het vaak om een huisdier te visualiseren in plaats van een kind.
Vervolgens zet je dit weten om in een actie, liefst een fysieke. Dus als het kind verdrietig is en een knuffel nodig heeft, omarm je jezelf of je vraagt het aan je partner. Als het woedend is, geef je het permissie om te stampvoeten en met de keukenkastjes te smijten en als het over is, ga je met haar zitten en vraag je waar dat nou eigenlijk over ging. Maar als het kind te jong is om te praten of om met keukenkastjes te smijten, stimuleer je het om haar vuisten ballen, met haar voeten schoppen en te schreeuwen. Een woordeloos kind heeft strikter een fysieke reactie nodig dan een kind dat zich verbaal kan uiten, maar een fysieke uiting werkt in de regel sterker dan een verbale. Een combinatie van de twee is het beste.
Ondersteun het kind eerst om deze jonge gevoelens te uiten. Kalmeer het daarna op een manier die de gevoelens niet ontkent of afkeurt. Neem er daarna afscheid van (zo genoeg?) voor je weer overgaat tot de orde van de dag.

Je zult zien dat deze trigger hierna een stuk minder lading heeft. Instant resultaat. 
Oefen je hiermee en wil je uitwisselen? Word lid van het forum!

KOPP-blog: zon, zee en een handdoekenoorlog

IK SCHRIJF DEZE BLOG OP EEN BALKON OP TENERIFE,
één van de Canarische eilanden. Vanaf het balkon zie ik de Atlantische Oceaan en, bij helder weer, de contouren van La Gomera. De Canarische eilanden liggen ter hoogte van de Sahara, maar omdat het eilanden zijn, is het er redelijk koel: het hele jaar ligt de temperatuur er tussen de twintig en dertig graden. Voor mij paradijselijke omstandigheden! Net als die blauwe oceaan met een enkel wit oplichtend bootje; ik kan er uren naar kijken. Ook naar de – meest Engelse – gasten in dit complex trouwens.

Als ik over de rand van mijn balkon naar beneden kijk, ligt daar het zwembad met de ligstoelen eromheen. ’s Avonds moeten die ligstoelen leeg, da’s de regel hier. Maar ’s ochtends, simsalabim, liggen er om half acht al bezitterige handdoeken op, terwijl: het zwembad gaat pas om negen uur open. Wie sturen ze er toch zo vroeg op uit om deze dagelijkse plicht, het claimen van het territorium, te vervullen? Wij krijgen ze niet te zien; als wij om zeven uur vertrekken voor ons dagelijkse zwemrondje in zee, zijn de stoelen nog leeg. Vanaf negen uur liggen de Engelsen vervolgens de hele dag te bakken op die handdoeken. Ja, ik heb daar een oordeel over. Oh-oh, dat is niet zo netjes van mij. Maar ik mag het toch wel grappig vinden? onderhandel ik. Waarom heb je het nodig om te oordelen? is de irritante wedervraag van mijn volwassen zelf. Tssss. Daar ga ik nu niet over nadenken. Ik heb vakantie!

Tussen Tenerife en La Gomera zwemmen honderden kleine walvissen en dolfijnen. En voor vijftien Euro ga je een uurtje of twee de zee op om ze te spotten. Een groter genot is voor mij niet denkbaar; met de wind in je haar de golven doorklieven, een spoor van wit opspattend schuim achter je laten waar dolfijnen graag op schijnen te surfen. Op ieder van die tochtjes heb je honderd procent garantie dat je óf dolfijnen, óf walvissen te zien krijgt. Toen wij hier twee jaar geleden waren, zwommen de dolfijnen mee met onze boot en als we vaart maakten, maakten zij er een wedstrijdje van. Dat zij glansrijk wonnen, terwijl ze ondertussen nog tijd hadden om speels op te springen uit het water. Ik vind het wat gênant om toe te geven, maar goed: het contact met deze dieren ontroert mij diep. Het is namelijk echt contact. De walvissen zijn óók prachtig, zoals die daar goed hoorbaar liggen te ademen, maar die doen, net als de koeien in de wei, gewoon hun eigen ding. Ze laten niet eens merken dat ze je gezien hebben. Nee, dan de dolfijnen. Die wil ik weer zien! Dus in de twee weken die we nu op Tenerife doorbrengen, gaan we gewoon om de dag de zee op. 

Maar shit: tot nu toe nog geen dolfijn gespot. Wel een heleboel walvissen. En ik voel me teleurgesteld. Wat? Ik zit hier op een paradijselijk eiland en ik ga om de dag met de wind in mijn haar de zee op, en dan ben ik teleurgesteld omdat de dolfijnen zich niet laten zien? ‘Belachelijk’ is nog het meest milde woord dat superego hier voor mij in petto heeft!
Oké, nu dan toch even dat oordeel eraf. Ik voel me dus teleurgesteld. En daaronder ontdek ik (wat ik nooit zou ontdekken als ik het oordeel niet zou afpellen) dat ik een heel klein meisje word. Het is mijn schuld dat ze niet komen. Ik ben natuurlijk niet leuk genoeg.

Dát is een bekend riedeltje voor mij. Een stukje script of, zoals ik het ook vaak noem: mijn filmpje. Het filmpje dat voor mij gaat draaien is dat iedereen liefde, cadeautjes en mooie ervaringen krijgt van fijne warme ouders, behalve ik. Ja, éven lijkt het er steeds op en het kleine meisje hoopt, anticipeert, zit op het puntje van haar stoel… maar nee. Toch weer niet voor mij. 
Ditzelfde filmpje activeerde ik zelfs dagelijks toen ik moest bevallen, in een grijs verleden. Mijn baby was twee weken over tijd. Iedere avond voelde ik de blije opwinding: vannacht gaat het gebeuren. En iedere ochtend werd ik wakker met dat bekende gevoel van teleurstelling: weer niks. Voor mij is dat zeker niet weggelegd. Ik had een buik als een yogabal en hij zou er heus wel uitkomen, goedschiks dan wel kwaadschiks, maar die teleurstelling trok zich echt niets aan van de rede. Dat is overigens niet meer dan logisch, want teleurstelling is afkomstig uit een ander deel van het brein. Maar daarover een volgende keer meer. 

Terug naar de dolfijnen. Hoe meer dagen zonder, hoe chagrijniger ik word, en hoe scherper mijn oordeel over die Engelsen. Zonde van mijn vakantie. Dus ik doe er iets mee, zoals ik weet dat nodig is. Ik maak contact met het kind. Hoe vaak heb ik als kind op het puntje van mijn denkbeeldige stoeltje gezeten, in de hoop dat mama me nu wél zou zien? Een complimentje zou maken? Me op schoot zou trekken? Door mijn haar zou kriebelen? Uit liefde voor MIJ, dus niet om haar eigen gaten te vullen? En hoe ontroostbaar ben ik nog steeds, diep vanbinnen, omdat mijn moeder me zulke broodnodige dingen niet heeft kunnen geven? Als ik daar contact mee maak, voel ik dat het klopt. Hier gaat het over. De innerlijke overtuiging dat ik niet goed genoeg ben om de liefde van mijn moeder te verdienen. Niet zozeer over dolfijnen en al helemaal niet over de handdoekenoorlog van de Engelse badgasten. Het verdriet dat ik hier aanraak, is zo groot als de Atlantische oceaan en inmiddels welbekend voor mij. Omdát ik het nu even aanraak, en omdát ik het ken, kan ik het daar ook laten. En daarmee is de teleurstelling weg. Het is nog steeds erg jammer dat ik tot nu toe geen dolfijnen heb gezien, maar de lading is eraf.

En die Engelsen? Ik heb het met ze te doen. Het veroveren van hun vaste plek aan het zwembad is voor hen net zo belangrijk als de dolfijnen voor mij. De verbetenheid waarmee zij hun plek bevechten moet hen toch veel stress geven. Zonde van hun vakantie!  

KOPP-blog: doen alsof

TOEN IK NET TWINTIG WAS, REISDE IK DE WERELD ROND.
Ik kende nog geen angst en ik had een weinig reëel beeld van wat eigenlijk gevaar was. Ik sliep in mijn eentje op het vliegveld van Bangkok, mijn hoofd op mijn rugzak. Dat deed me niks. Waar ik wel sterk door van slag raakte, was de omgang met mensen uit een onbekende cultuur. Als alleenreizende witte vrouw kreeg ik nogal wat aandacht, en aangezien ik gewend was om mezelf zoveel mogelijk onzichtbaar te maken, gaf dat stress. Maar wat erger was: onbekende gewoontes. Zelfs de lichaamstaal was anders in die contreien – ik snapte niet wat de mensen daar van mij wilden. Ik was gewend om me zo te gedragen als de ander van mij verwachtte, maar toen ik daarover ineens in het duister tastte, raakte ik helemaal de kluts kwijt. Je begrijpt, Kassandra als backpacker was niet het meest succesvolle hoofdstuk in mijn leven.

Als er iets is dat wij KOPP’ers gemeen hebben, dan is het wel dat we sterk de neiging hebben om ons eigen doen en laten te beoordelen door de ogen van de ander. We zijn in staat om, onbewust en bliksemsnel, de non-verbale signalen van de ander op te vangen en ons gedrag daarop aan te passen. Als de ander tevreden is, hebben we ‘het’ goed gedaan en als ons handelen een onplezierige reactie oproept, hebben we ‘het’ fout gedaan. Bij veel KOPP’ers zit dit gegeven zó in hun vezels dat ze zich daar absoluut niet van bewust zijn. Herken jij jezelf in het beeld van de kameleon: in verschillende omgevingen neem je steeds een andere kleur aan? Dat is wat ik deed. Alleen de kleuren van Thailand en India had ik niet in mijn repertoire en dat was een behoorlijk beangstigende ervaring voor mij. 

Je hoeft hier geen oordeel over te hebben; dit is zoals het gaat. Er is geen goed of fout. We ontwikkelen als kind eenvoudig dát gedrag dat ons in staat stelt om te overleven. Kinderen worden geboren met het vermogen om zich aan te passen en het vermogen om te experimenteren. De taak van ouders is om hun kinderen binnen een bepaalde structuur, met veilige grenzen, te laten experimenteren. Die structuur bestaat bijvoorbeeld uit de taal die gesproken wordt binnen het gezin, de omgangsvormen die gehanteerd worden, eerst binnen en later ook buiten het gezin. De grenzen betreffen de soorten van gedrag die wel of niet geaccepteerd worden. Aan deze structuren en grenzen moeten kinderen zich aanpassen. Het experimenteren dat ze daarbinnen mogen doen, maakt dat ze zichzelf kunnen leren voelen, ervaren en uiten. Met het opgroeien krijgt een kind een steeds beter beeld en gevoel van zichzelf ten opzichte van zijn omgeving. Dit verlang ik, zo breng ik dat in de wereld en ik kan reageren op het al dan niet vervuld krijgen van mijn verlangen. In een veilige omgeving krijgen kinderen een gezonde mix mee van aanpassen en experimenteren. 

Kinderen die opgroeien in een emotioneel onveilige omgeving, ervaren weinig tot geen ruimte om te experimenteren. Als het van levensbelang is om papa niet boos te maken of om niks van mama te vragen, valt er weinig te experimenteren. KOPP-kinderen leren om de emoties van papa en mama te managen, niet die van henzelf. En dat heeft grote gevolgen. Het voordeel ervan is dat de meeste KOPP’ers gezegend zijn met zeer scherp afgestelde antennes voor hoe de vlag erbij hangt bij de ander. Daar is niets mis mee; je kunt er veel profijt van hebben in je (professionele) leven. Het nadeel is dat er dus ook iets is dat we NIET geleerd hebben. Iets dat we alsnog moeten leren, en wel from scratch, willen we emotioneel volwassen in het leven kunnen staan. 

Dat ongrijpbare iets gaat over onszelf ervaren vanuit de feedback van ons eigen lichaam. Ieder lichaam geeft feedback aan de eigenaar. Emoties geven fysieke sensaties. KOPP’ers leren om (een deel van) deze signalen te negeren. Je moet het zo zien: als je door een mug gestoken wordt op het moment dat je staat te wankelen op de rand van een afgrond, voel je die muggenprik helemaal niet en ben je je er ook niet van bewust dat je een signaal mist. Er is dan namelijk iets anders dat de prioriteit heeft. 

Zo is het ook met opgroeien in een emotioneel onveilige omgeving. Vaak hebben we voor onze basale gevoelens en behoeften zoals honger, kou of pijn wel actief aandacht gekregen, en als dat zo is, voelen en herkennen we die feedback van ons lijf dus ook. Al zijn er KOPP’ers die zelfs deze signalen hebben leren negeren. Subtielere signalen, zoals het voelen van je grens (=boosheid) of het verlangen naar fysiek contact (gemis, verdriet), zijn vanwege die afgrond vaak zo stelselmatig genegeerd dat we ook als volwassene werkelijk menen dat we nooit boos of verdrietig zijn.* Maar, beste mensen, dat bestaat niet. Zolang je niet onder een steen leeft, ervaar je de hele dag de vier B’s: Boos, Bang, Blij, Bedroefd, in wisselende mate. Ons lichaam geeft ons de hele dag feedback. De uitdaging voor KOPP’ers is om ernaar te gaan luisteren. Begin maar vast met bodyscannen of mediteren!

Want alleen als je leeft vanuit jouw eigen impulsen, vanuit de feedback die je van je eigen lichaam krijgt, kun je zijn. Als je om jouw eigen waarde en gedrag te bepalen afhankelijk bent van de feedback van de ander, betekent dat dat je niet kunt zijn, alleen maar kunt doen alsof. Kun je je voorstellen hoeveel energie je zou overhouden als je zou ophouden met de hele dag, dag in dag uit, je hele leven doen alsof? Nog afgezien van de andere nadelen, zoals afhankelijkheid, gebrek aan spontaniteit en authenticiteit, burn-out en krampen in je lijf. Je gaat immers tegen de impulsen van je lichaam in. 

En nee, je kunt natuurlijk niet alleen maar leven vanuit je eigen impulsen. Het gaat om een gezonde mix van aanpassen en experimenteren. En ja, als je gaat experimenteren, loop je onherroepelijk tegen de grenzen van anderen aan. Voor ons KOPP’ers is dat zo ongeveer het engste dat er bestaat. Dat is niet erg, ook angst hoort bij het leven. Stap voor stap, met angst en beven van doen alsof naar zijn, dat is onze opdracht. 

.

*Zoals altijd is hier ook de andere extreem mogelijk: het juist gaan uitleven van de spanning met pseudo-gevoelens. Hysterisch of agressief gedrag vertonen, of iets milder: drama maken of een kort lontje hebben. Dit zijn vormen van afweer, net zoals het niet-voelen dat is. 

KOPP-blog: contact op de grens

DUS JE BENT EEN DAPPERE VOLWASSEN KOPP’ER,
zo ver in je proces dat je je ouder de waarheid kunt zeggen. En je zegt op redelijke toon: Mama, ik heb me door jou niet gezien gevoeld. Zegt je moeder ijzig: Kind, je weet niet wat je zegt. Ik jou niet gezien? Ik ken jou beter dan jij jezelf kent. Of je zegt tegen je vader: Je was er nooit. Ik heb je gemist. En vader schreeuwt: Hoe durf je zoiets tegen me te zeggen! Ondankbaar kreng! Auw!

Veel mensen van mijn generatie herinneren zich hun vader als de man die achter zijn krant zat en niet gestoord mocht worden. Zo ook de makers van het filmpje Wie is toch die man die op zondag het vlees komt snijden? (Emotioneel) afwezige vaders schijnen we in dit land veel te hebben, daar hoeven ze geen psychiatrisch labeltje voor te krijgen. Voor onze moeders hebben we andere clichés: die zijn eerder bemoeizuchtig of kunnen hun kinderen niet loslaten. De twee voorbeelden in de eerste alinea zijn van hetzelfde laken een pak, maar dan wat heftiger. Meer labeltjes-waardig, zeg maar.

Het gaat hier over afstand en nabijheid. De vleessnijdende vader is een voorbeeld van teveel afstand, evenals de schreeuwende, maar die dan in de overtreffende trap. (Blijf uit de buurt van mijn hart!) Overbezorgde en bezitterige moeders zitten juist te dicht op de huid van hun kroost en dat kan net zo gewelddadig zijn. (Jij bent van mij dus je moet voelen wat ik wil dat je voelt, anders trap je op mijn hart.) Natuurlijk zijn deze voorbeelden rolbevestigend, er bestaan net zo goed agressief afstand houdende moeders en overbezorgde, bezitterige vaders. 

Ik weet het, het is ongelofelijk saai, maar emotioneel gezond ben je als je tussen afstand en nabijheid het evenwicht weet te bewaren. De juiste afstand tot de ander heet Contact op de grens. En contact op de grens leidt tot intimiteit. In de voorbeelden in de eerste alinea doen die dappere KOPP’ers dat heel goed. 

Deze afstand en nabijheid zitten hem niet per se in het fysieke, alhoewel dat natuurlijk ook kan. Nooit fysiek contact bijvoorbeeld, of juist een ouder die voortdurend aan je plukt. Een andere belangrijke factor is aandacht. Iemand kan naast je zitten terwijl je toch het gevoel hebt dat je lucht bent voor diegene. En je kunt je ook vervelend (of juist overgelukkig) voelen doordat iemand aan de andere kant van de kamer voortdurend met zijn aandacht bij jou is. Het gaat hier ook niet alleen over ouders en hun kinderen. Het afstemmen van afstand en nabijheid is een structurele sociale vaardigheid. Het vermogen om contact te hebben op de grens, vooral tussen twee ouders, maakt dat hun kinderen leren dat dát de bedoeling is. Dat is waar alle mensen, bewust of onbewust, naar verlangen. Écht contact. Intimiteit. 

Hoeveel van onze ouders konden dat? Contact zoeken, aangaan en verduren OP de grens? Met alle emoties die er dan zijn? Dat is spannend gebied, hoor! Daar worden we zichtbaar voor de ander, daar zijn we kwetsbaar. Daar is emotionele gezondheid voor nodig, precies datgene waaraan het onze ouder(s) ontbrak. Ouders met psychische problemen, van welke aard dan ook, onderscheiden zich vooral door hun onvermogen om wérkelijk in contact te zijn. De depressieve vader of moeder trekt zich terug van het gezin en van de contactgrens. De emotioneel afhankelijke vader of moeder overschrijdt de grenzen van de gezinsleden en de contactgrens. De ouder met borderline doet het om en om, nu eens niet aanraakbaar, dan weer als een bulldozer overal overheen walsend, maar altijd dramatisch. Om en om, dat geldt ook voor de manisch depressieve ouder, alleen is daar de frequentie van die wisseling en de hoeveelheid drama meestal wat lager. En zo zijn er nog talloze voorbeelden te geven. Ook voor ouders met psychische problemen zonder labeltje. Let maar eens op, dat wat je van hen wilt, werkelijk gezien worden, werkelijk contact, dat is precies het probleem: dat schijnt maar niet te lukken. Welke tactiek jij ook uit de kast haalt.

Iemands psychische gezondheid blijkt vooral uit diens vermogen tot het beleven van intimiteit, van contact op de grens. En vergis je niet, dat is lang niet altijd gezellig, zoetsappig of soft. Stop! Dit vind ik echt niet oké! kan ook intimiteit zijn. Als je degene tegenover je daarbij gelijk een linkse hoek geeft, is dat over de contactgrens. En als je, zoals veel KOPP’ers doen, een dergelijke tekst alleen zachtjes en aarzelend kunt uitspreken terwijl je de ander niet aankijkt, dan is dat weg van de contactgrens. 

Al het overschrijden of juist terughouden van de contactgrens dat wij met elkaar de hele dag doen, is pijnlijk. Ik doel dan op bijvoorbeeld op korte lontjes of de commentaren op social media (over de grens), of het najagen van status en bezit (vér weg van de contactgrens). Maar we zijn daar in onze cultuur zo aan gewend dat we dat niet eens meer voelen, behalve kleine kinderen, die reageren er wel op. En KOPP’ers zijn zich vaak veel meer bewust van die pijn, dat gemis, dat ongemak of die irritatie dan de gemiddelde volwassene. Maar wij hebben dan ook met veel extremere grensoverschrijdingen of juist terughouding van de grens te maken gehad toen wij opgroeiden, en we dealen nog dagelijks met de gevolgen daarvan. Onze ouders hebben ons in elk geval NIET kunnen voorleven hoe je dat doet.

En dat betekent dat dat ook voor ons een grote uitdaging is. Toen wij kinderen waren en nog volop aanwezig OP de contactgrens, werd ons dat niet in dank afgenomen. We hebben ervaren dat we verstikt of overspoeld werden en ons dus teruggetrokken van de contactgrens. Of we hebben ervaren dat vader of moeder niet beschikbaar was, en zijn de contactgrens gaan overschrijden om hen toch te bereiken. We hadden ze immers nodig. Parentificatie is daar een voorbeeld van; kinderen die – noodgedwongen – hun ouders gaan redden, in hun energie gaan zitten, hen voortdurend in het oog houden.

Eén van de belangrijkste dingen die KOPP’ers te leren hebben, is zichzelf (weer) gaan voelen en ervaren op de contactgrens. Daarvoor moeten we oude verboden overtreden en oude geboden negeren. We moeten zichtbaar worden waar we geleerd hebben om ons terug te trekken. We moeten stilhouden, de afstand verdragen én de ander aanspreken als die terughoudt. Dat is voor ons heel beangstigend. Vroeger hing ons leven ervan af om ons aan de ongeschreven regels te houden; nu moeten we juist het omgekeerde gaan doen. Verrot moeilijk. Wees zacht voor jezelf als het niet zo goed lukt. En verwar het al dan niet slagen van je poging niet met het resultaat!

De KOPP’ers uit de eerste alinea is het wél goed gelukt. Het resultaat was misschien pijnlijk, onbevredigend, woedend makend, maar best helder: Blijf uit de buurt van mijn hart. Ik ga me door jou echt niet laten raken. Dat is waardevolle informatie, of je hem horen wilt of niet.

KOPP-blog: adem in, adem uit

KEN JE DIE NOG VAN HET DOMME BLONDJE BIJ DE KAPPER?
De kapper knipt per ongeluk het draadje van haar koptelefoon door (dat ding mocht per se niet af) en het blondje stort levenloos ter aarde. Nieuwsgierig naar de doodsoorzaak luistert de kapper het bandje van haar walkman af (ja, deze ouwe mop gaat over antieke voorwerpen) en daarop vallen de volgende onsterfelijke woorden te beluisteren: Adem in, adem uit. 
Wie vergeet er nou te ademen?

Als wij KOPP’ers hadden moeten stoppen met ademhalen om onze ouder(s) overeind te houden, hadden we dat zonder meer gedaan. Volg even deze bizarre gedachtegang, beste lezer. Stel je voor dat je zoiets zou kunnen overleven, stoppen met ademhalen. En je zou volwassen worden, op jezelf wonen, je niet meer hoeven aanpassen aan je ouders. Misschien zou je ernaar verlangen om de kunst van het ademhalen op je twintigste, dertigste, veertigste alsnog te leren. En stel dat dat zou kunnen, dan kun je je misschien ook voorstellen dat je jezelf tijdens dat leerproces daar regelmatig aan zou moeten herinneren. Of dat iemand anders, bijvoorbeeld je partner, met enige regelmaat tegen je zou moeten zeggen: Adem in, adem uit.Omdat je dat nooit geleerd hebt. Of liever gezegd: al heel vroeg hebt afgeleerd. En de rest van de wereld zou daar NIETS van begrijpen.

Wat wij KOPP’ers maar al te vaak heel vroeg al hebben afgeleerd, is niet ademhalen maar het registreren van onze eigen gevoelens. Als het zwaartepunt van de gebeurtenissen thuis niet zozeer in de babytijd maar meer in de peutertijd lag, verschuift het probleem zich van leren voelen naar leren willen. En zo heeft iedere ontwikkelingsfase zijn eigen thema. In deze blog ga ik in op het basisthema: niet leren registreren van je eigen gevoelens.
Ken je dat, dat je in je baan, of in je gezin, op een dag merkt dat je óp bent. Dat je het niet meer trekt dat er voortdurend een beroep op jou gedaan wordt, dat je er woedend van wordt of juist depressief en wanhopig, of een combinatie van die twee. Voordat je op zo’n punt bent uitgekomen, zijn er al een heleboel grenzen overschreden. Wat andere mensen meestal niet in de gaten hebben. We gaan er namelijk vanuit dat iemand, als zijn of haar grens wordt aangeraakt of dreigt te worden overschreden, daarop zal reageren. 
Want wie vergeet er nou te voelen?

Natuurlijk is het registreren van gevoelens – en je daar vervolgens op een handige manier mee leren verhouden – vele malen complexer dan simpel in- en uitademen. Dus daar kunnen we het beste maar jong mee beginnen. En dat is waar het bij KOPP’ers juist misgaat. Je op een niet-effectieve manier verhouden met je gevoelens, dat is zo’n beetje het synoniem voor psychische problemen. Althans, in mijn definitie. Dus als (één van) je ouders dat al niet kon(den), hoe moet je dat als kind dan leren?

In principe worden we allemaal geboren met het vermogen om te voelen. We voelen ons lichaam en dus ook onze emoties, want die maken zich kenbaar door middel van een fysieke sensatie. Nou is het merkwaardige met emotie dat die zich ook in een ander lichaam kan laten voelen. Dus ik kan jouw emotie voelen. Dat noemen we empathie. Ik heb de klok horen luiden over spiegelneuronen, daardoor komt dat neem ik aan. Baby’s en jonge kinderen voelen alles wat hun primaire verzorger, meestal de moeder, voelt. En daar hebben we KOPP-probleem nummer één te pakken: als een moeder bang is, zichzelf emotioneel niet kan dragen en haar partner dat ook niet kan compenseren, dan zijn de emoties van de moeder urgenter voor het kind dan zijn eigen emoties. Het kind is voor zijn leven immers afhankelijk van de ouders.

Ook als de vader degene is met de psychische problematiek, verloopt dit proces op jonge leeftijd via de emoties van de moeder – het kind stemt zich af op de angst en stress van de moeder die veroorzaakt wordt door de problematiek van de vader. Pas op wat latere leeftijd gaan de kinderen zich rechtstreeks met de angst of onmacht van de vader verhouden. 
(Het gaat hierbij niet per se om sekse van de ouder, meer om de positie van primaire verzorger. De vader kan ook de primaire verzorger zijn; dan worden de rollen omgedraaid).  

Om in de metafoor te blijven: dit kind leert niet om zijn eigen longen te vullen met adem, maar die van zijn moeder. Later komen daar de longen van anderen bij, de vader, broertjes en zusjes. En nog weer later: de partner, de collega’s, de kinderen. De meeste KOPP’ers hebben uitstekende antennes voor de gevoelens en behoeften van de hele wereld, maar ze hebben geen idee wat ze zelf voelen. 

Hoe bizar dat ook lijkt, KOPP’ers moeten heel vaak leren hun eigen emoties te voelen. En daar begint het pas. Want als je dan eindelijk zo ver bent dat je voelt, moet je je wel tot die gevoelens zien te verhouden. Er uiting aan geven, of juist niet. Op gepaste wijze. Precies de vaardigheden die kleine kinderen moeten leren en grotere kinderen moeten verfijnen. En die doen daar járen over, dus zet jezelf nou niet extra onder druk met de verwachting dat je dat varkentje binnen acht weken gaat wassen. Je bent dan wel een KOPP’er, maar nog net geen supermens.
En vergeet ondertussen niet om door te ademen.

KOPP-blog: systemisch gezien

IK HEB MIJN MOEDER NOOIT GEKEND EN DAAR HEB IK LAST VAN.
Zij leidde een hard, zwervend bestaan omdat ze nergens kon aarden. Niet dat ze geen hulp aangeboden kreeg, die kreeg ze wel, maar ze kon die nooit lang accepteren. Toen zij stierf aan kanker was ik 21, zij 52. Haar kende ik niet, alleen haar ziekte: schizofrenie (tegenwoordig: psychosegevoeligheid). De persoon die erachter schuilging, heb ik bijna nooit gezien. Het gezicht van haar ziekte was niet zo fijn. Het was onmogelijk om een normaal gesprek met haar te voeren. Haar beeld van de realiteit was heel anders dan het mijne. Ik klampte mij als kind vast aan de ratio; dat was in ons nieuwe gezin de norm. Mijn moeder, die – na een hoop drama met voor ons kinderen bijbehorend vroegkinderlijk trauma – niet meer bij ons woonde, had een wereldbeeld dat allesbehalve rationeel was. Lange tijd heb ik, ocharm, mijn best gedaan om haar ervan te overtuigen dat haar beelden niet klopten, alsof ik zo haar ziekte kon wegnemen en de klok kon terugdraaien.

Schizofrenie (psychosegevoeligheid) is een ziekte van het systeem, zo zeiden systeemtherapeuten decennia geleden al. Ik sluit me daar van harte bij aan. Sterker nog, ik zie bij álle psychische problematiek een grote systemische invloed. Logisch, als KOPP’er word je per definitie geconfronteerd met psychische problematiek bij (een van) je ouder(s) én bij jezelf. Je ervaart, als je daarop een beetje bewustzijn ontwikkelt, aan den lijve dat daartussen een relatie bestaat. Vaak zijn dat verschillende problemen, want het gedrag van het kind zal in zijn oorsprong aanvullend zijn op dat van de ouder. Dus als de ouder de hele dag depressief in bed ligt, zal het kind actief zijn en gaan zorgen (parentificatie). Als de ouder het kind onderdrukt, zal het kind zich eerder onzichtbaar maken. 

Over het systeem van mijn moeder kom ik langzamerhand meer te weten. De kant van mijn grootmoeder ken ik goed. Zij leeft nog steeds, is 108 (!) en van haar heb ik onvoorwaardelijke liefde geleerd. Ik heb, bij gebrek aan een echte relatie met mijn moeder, een beeld van haar dat gebaseerd is op háár moeder, een onvolledig beeld dat haar gekte absoluut niet kan verklaren. Mijn grootvader heb ik amper gekend. Ik weet wel dat in zijn familie meer gekte voorkwam. Wat wás dat voor een systeem dat mijn grootvader en -moeder neergezet hebben voor en met hun kinderen? Kan ik mijn gekke moeder beter leren begrijpen door te kijken naar mijn (toch ook behoorlijk bizarre) ooms en tantes? 

Kinderen ontwikkelen die strategieën die nodig zijn om te overleven in het huis van de ouders. Als er broers en zussen zijn, wordt het systeem complexer, dan worden de rollen verdeeld – aanvullend op elkaar en op wat er nodig is voor een evenwicht. De één wordt de brave, de ander de slimme, de volgende de rebel. En als deze kinderen volwassen worden, zijn het dus ook die strategieën en rollen waarvan ze last krijgen. En waar ze anderen mee belasten. De overlevingsstrategieën worden hinderlijke en dikwijls ook onderdrukkende of juist onderdanige rollen waar mensen maar moeilijk vanaf kunnen komen. Degene die zich altijd opofferde voor het systeem, kan een enorme woede ontwikkelen naar broers en zussen omdat hij daarin nooit gezien is. Broers en zussen kunnen elkaar haten vanwege het wringende evenwicht dat ooit nodig was, en nu zo moeilijk losgelaten kan worden. Ze maken elkaar de verwijten die eigenlijk op het bord van hun ouders thuishoren.

Als KOPP-coach heb ik gemerkt dat ik iemand beter kan begrijpen als ik zijn systeem in beeld krijg. Mijn ooms en tantes geven mij, alleen al door hoe ze zijn, waardevolle informatie over mijn moeder. Als kind had ik niet veel contact met hen, maar in de afgelopen dertig jaar hebben we vele malen gezamenlijk de verjaardag van mijn grootmoeder gevierd. Het was tijdens die feesten alsof mijn moeder nooit bestaan had. Dat was pijnlijk. Het kwam zelfs weleens voor dat mijn broer, zus en ik werden vergeten bij de uitnodigingen. Uit het oog, uit het hart? Het zet mij aan het denken over de rol die mijn moeder vervulde in dat systeem. Er is een hoop heftigheid en woede voelbaar tussen mijn ooms en tantes, haat zelfs. Ik heb al jong de fantasie ontwikkeld om een soapserie over hen te schrijven, zo dramatisch intrigerend zijn ze. Misschien doe ik dat nog wel eens, als ze allemaal dood zijn.

Het meest opvallende kenmerk is dat succes verplicht is. Het gaat met iedereen altijd waanzinnig goed. Mijn moeder moest doodgezwegen worden – het ging met haar duidelijk NIET goed en zowel haar leven als haar dood konden ongewenste emoties oproepen, emoties die de illusie van absoluut succes in de weg zouden staan. Toen mijn moeder stierf, heeft mijn jongste tante haar rol overgenomen. Die van de ontoerekeningsvatbare in de familie. Ik kan me voorstellen dat deze rol nodig was; als succes verplicht is, is het lekker om zo iemand te hebben in je systeem. Waar moet je, als je alleen maar perfect mag zijn, anders heen met je schaduwkant? Bij de gratie van die ene mafkees kunnen de anderen fijn shinen. Mijn tante, net zo gevoelig als mijn moeder, heeft haar rol gepakt – de rol die het systeem in evenwicht zou houden. 

Tijdens mijn coachingsessies heb ik talloze voorbeelden gehoord van dynamieken en problematieken die van generatie op generatie worden doorgegeven. Dus hoe zit dat eigenlijk in mijn familie? Ik ben zelf in mijn gezin van herkomst degene die het meest in aanmerking komt voor de rol van ontoerekeningsvatbare. Financieel het minst geslaagd, maatschappelijk het minst aangepast. Ook al is de dynamiek tussen mij en mijn broer en zus bij lange na niet zo grimmig als in het systeem van mijn moeder, op de één of andere manier voelde die rol altijd kloppend voor mij. Als ik dan toch niet pas, dan zal ik zorgen dat het opvalt, óók. Zoiets. Ook voor mij was het gemakkelijk geweest om te verdwijnen in gekte en armoede. Maar ik heb uiteindelijk een andere keuze gemaakt. Mijn moeder, in wier systeem succes verplicht was, had die keuze kennelijk niet. Best een confronterende en verdrietige conclusie.

Zitten we erin vast?

Ook al zouden er helemaal geen erfelijke factoren bestaan voor psychische problematiek, alleen systemisch is meestal al zeer goed verklaarbaar waarom een bepaald gedrag als overlevingsstrategie bij iemand ontstaat. Narcisme, mishandeling, verslaving, depressie… als je de informatie over je (over)grootouders kunt krijgen, zie je de thema’s als een rode draad door de generaties heen lopen. 

Dat wil niet zeggen dat je er niet aan kunt ontkomen. Maar het verklaart wel waarom dat zo moeilijk is, waarom je deze dynamieken niet kunt stoppen. Ze zijn veel groter dan die ene persoon die ertegen vecht. Wij KOPP’ers leggen de lat meestal veel te hoog. Jezelf uit de dynamiek losmaken (zonder per se het systeem te hoeven verlaten), dat is doenlijk. En het heeft – als je geluk hebt – nog een positieve invloed op het systeem óók. 

KOPP-blog: eerste hulp bij keuring

LANG GELEDEN GING IK ALS ZESTIENJARIGE OP MEZELF WONEN.
Omdat er gezinsontwrichting was aangetoond, kreeg ik een bijstandsuitkering. Ik heb die uitkering gehouden totdat ik op mijn 27stede minimale stabiliteit en vooral de moed had gevonden om mijn diensten tegen betaling te gaan aanbieden. Daar heb ik ruim tien jaar over gedaan. Niet dat ik tussendoor niet werkte, ik heb veel vrijwilligerswerk gedaan. Maar me laten betalen, dat was een heel ander ding. Dan moest ik volwassen gaan presteren, en ik geloofde niet dat ik dat kon. Ik voelde me namelijk nog een kind, en dat was ik in veel opzichten ook. De eerste dagen in die baan heb ik úren gehuild bij thuiskomst. Ik was zo verschrikkelijk bang om redenen die ik zelf niet begreep. Om bekeken en beoordeeld te worden. Om gewogen en te licht bevonden te worden. Jij bakt er niks van. Daar kunnen we geen geld voor neerleggen. Ga jij maar weg. Wat er van mij gevraagd werd in die baan, was ver onder mijn niveau. Maar ik had niet meer aangekund. Ik had 80% van mijn energie nodig om überhaupt overeind te blijven in zo’n volwassen setting. Er bleef nog 20% over voor mijn werk, en dat was net genoeg. Vijf werkdagen redde ik al snel niet meer. Het werden er vier, met een adempauze op woensdag. Gelukkig werkte mijn werkgever daaraan mee. Ik kon deze dingen zo voor mezelf regelen omdat ik mijn traumasymptomen niet meer veroordeelde. Weliswaar was ik me er niet van bewust dát het traumasymptomen waren; ik dacht dat ik gewoon een beetje gek was. En juist doordat ik dat toen accepteerde, kon ik gaan groeien.  

Dus je bent bijvoorbeeld nog nooit aan het werk geweest omdat je simpelweg te bang bent om te solliciteren. Of je krijgt geen opleiding afgerond omdat je faalangst en/ of sociale angst hebt. Of je bent uitgevallen op je werk vanwege burn-out of andere stress-symptomen. Allemaal situaties waarin je niet in staat bent om te beantwoorden aan de verwachtingen die aan een gezonde volwassene gesteld worden. Door je omgeving en niet in het minst ook door jezelf. Jíj bent toch niet gek?? Je vader of je moeder, díe is (of was) gek, jij niet. Maar toch lukt het je niet om mee te komen of om erbij te blijven. Je voelt je machteloos en gefrustreerd. En misschien ook wel eindeloos verdrietig, als je nog jong bent en al je vrienden op een trein ziet stappen waar je zelf niet op kunt komen. Zo voelde ik het ook, jarenlang. De trein des levens reed aan mij voorbij.

Al kun je niet werken, je moet toch leven. Voor dit soort omstandigheden hebben we daarom sociale voorzieningen. En waar voorzieningen bestaan, zijn er ook altijd types die proberen om daar ten onrechte gebruik van te maken. Dus die mensen daar moeten wel een beetje opletten of het terecht is dat jij aanspraak komt maken op een voorziening. En zo kom je dus in een situatie terecht waarbij jij afhankelijk bent, voor je geld – en dus voor je leven – van het oordeel van een ander.

Precies zoals we, iedere keer dat we onze tanden poetsen met een tandenborstel, een beroep doen op onze allereerste herinneringen aan hoe-een-tandenborstel-te-gebruiken, zo ook doet zo’n situatie een beroep op jouw allereerste herinneringen aan de tijd waarin je voor je leven afhankelijk was van het oordeel van een ander. Dat noemen we overdracht. Zo zijn wij mensen gebakken, een handigheidje van moeder natuur. Anders zou je iedere dag naar je tandenborstel kijken en je afvragen wat je met dat ding moest. Gelukkig hebben we dat wiel ooit al eens uitgevonden, en gaat dat proces nu volkomen automatisch. Bij de goede, gezonde dingen die je ooit geleerd hebt, werkt het systeem prima. Maar het gegeven ‘afhankelijk zijn’ is ook een soort tandenborstel. Je hebt ooit geleerd hoe te overleven in een onveilige situatie toen je een afhankelijk, klein kind was. En simsalabim… je zit er weer middenin. Middenin je overleving, want je bent een KOPP’er. Daarom zit je daar voor die verdomde beoordeling. Je valt uit (of je hebt nooit kunnen beginnen met werken) vanwege vroegkinderlijk en/ of chronisch trauma en degene die jou nu moet beoordelen, triggert precies die traumatische stress. Niet vanwege de persoon, maar vanwege de verhoudingen.

Zoals ik eerder al schreef in mijn blog ‘trauma’ is het moeilijk om helder te communiceren over de inhoud van je trauma zolang je daarmee nog aan het worstelen bent. Dat komt door de aard van traumasymptomen. Als je getriggerd wordt door degene met wie je geacht wordt om erover te communiceren, wordt het zelfs bijna onmogelijk. Een trigger zuigt je als het ware terug in het kind dat je ooit was en je beschikt ineens niet meer over je volwassen brein. Ik noem dat ‘in je kind schieten’ en dat verschijnsel is verdomd onhandig tijdens zo’n beoordeling. Als de bedrijfsarts aan je vraagt: Hoe gaat het met je? en jij hoort, vanuit jouw trauma: Je mag geen aandacht vragen, ik kan het niet aan als jij aandacht nodig hebt, dan hoor je jezelf voor je het weet zoiets zeggen als: Oh, goed hoor. Maak je over mij maar geen zorgen! Dat heeft niet het gewenste effect. Vanuit mijn specifieke trauma hoorde ik niet Hoe gaat het met je? maar Stel jij je niet aan? Ik voelde me bij zulke gesprekken bij voorbaat niet gehoord en niet geloofd, wat maakte dat ik me angstig en verbolgen opstelde. Die houding heeft ook nooit echt geholpen.

Je komt in de problemen als je je eigen traumasymptomen niet kunt accepteren. Dan zul je namelijk proberen om ze uit het zicht te houden bij een bedrijfsarts of UWV. Dat werkt averechts, je hebt nou juist recht op ondersteuning OMDAT je aan traumatische stress lijdt. Als je je hebt ziekgemeld met een gebroken been, ga je ook niet het gips eraf halen en net doen of er niks aan de hand is als je naar de bedrijfsarts moet. 

In zo’n gesprek gaat het dus over de vraag of jij recht hebt op ondersteuning. Het is belangrijk om die vraag goed voor ogen te houden. Het gaat niet over de vraag of jij wel deugt, goed genoeg bent om liefde te krijgen, de ander emotioneel stabiel moet houden, of je überhaupt wel mag bestaan. Het gaat over jouw vermogen om zelfstandig in je onderhoud te voorzien. 

Als je recht wilt doen aan jezelf, is het voor zo’n gesprek fijn als jij van tevoren goed nadenkt over waar jíj vindt dat je staat in relatie tot die vraag. In het hier en nu. 

  • Als je nooit hebt gewerkt: wat gebeurt er met je als je denkt aan werken? Voel je je ertoe in staat? Waarom wel/ niet? Wat maakt dat het niet lukt, waar ben je bang voor? Hoe uit die angst zich? Als je dat allemaal niet helder hebt, kun je formuleren hoe dat voor je is – mistig, wazig, ver weg, een black box, een blurr, verwarring…
  • Als je uitgevallen bent op je werk: Ben je eraan toe om je uren uit te breiden? Is het goed zo, en wil je het nog een poosje zo houden? Wil je juist terug in uren? Wil je er liever niet aan denken om naar je werk te gaan? Maakt alleen de gedachte aan je werkplek je al kotsmisselijk? In deze hele range is van alles mogelijk. Formuleer eerst eens helder voor jezelf waar jij voelt dat je staat. En als je dat niet helder hebt, kun je formuleren hoe dát voor je is. 

Schrijf dat op, oefen het uitspreken van de zinnen, en neem het briefje mee naar het gesprek.

  • Formuleer ook voor jezelf waar je mee bezig bent, alleen in de grote lijn, en wat dat met je doet. Bijvoorbeeld: Ik heb ontdekt dat ik een KOPP’er ben, en ik begin te beseffen wat de impact daarvan is. Ik voel me daarbij … (verward, angstig, boos, verdrietig, leeg, moe, machteloos, gestrest). Voor het geval ernaar gevraagd wordt, het werkt goed om van tevoren te bepalen tot hoe ver je in detail wilt gaan over de aard van jouw KOPP zijn. Iets als Mijn moeder was depressief en mijn vader was er nooit, ik zorgde al voor het gezin toen ik zes was, is relevant om te zeggen. Verder in detail hoeft niet. 

Deze zinnen ook opschrijven.

Het briefje neem je mee naar het gesprek voor het geval je geen contact kunt houden met deze feiten en gevoelens in aanwezigheid van de persoon die jou moet beoordelen. Het is heel begrijpelijk als je tijdens zo’n gesprek in je kind schiet en ineffectief gaat communiceren; dat is de aard van dit soort trauma. Als je merkt dat dat gebeurt, kun je zo’n briefje gebruiken. Dat kan op verschillende manieren. Je kunt het voelen in je zak tijdens het gesprek. Dat is misschien al voldoende. Je kunt het ook voorlezen, of – in het ergste geval – domweg overhandigen. Je hoeft dan alleen maar te zeggen: ik klap dicht tijdens zo’n gesprek.

Tot slot nog een tip voor wie de neiging heeft om de keuringsarts over de tafel te trekken, nog voordat die überhaupt een vraag gesteld heeft: Ga eerst een rondje hardlopen om de ergste stoom af te blazen. En zeg bij binnenkomst meteen dat je een issue hebt met boosheid. Als de ergste druk eraf is, zal het gesprek daarna gemakkelijker verlopen. En je voorkomt daarmee misschien zelfs wel een burn-out bij de keuringsarts, want dat is ook maar een mens.