KOPP-blog: trauma

STEL, JE MELDT JE ZIEK OP JE WERK,
en je moet naar de bedrijfsarts omdat je doof begint te worden. Je werkt bijvoorbeeld bij een call-center, best onhandig als je daar doof bent. En die bedrijfsarts stelt jou een paar vragen, die je niet kunt beantwoorden omdat je ze niet hebt gehoord. Je bent immers doof. Maar deze bedrijfsarts vindt dove mensen eigenlijk een beetje aanstellers. Hij zal het niet hardop zeggen; dat is niet chique. Maar hij zegt wel: ga jij nou maar gewoon weer aan het werk, er is niks met jou aan de hand. Toen ik vroeg of je me hoorde, zei je immers geen ‘nee’?

Absurd voorbeeld? Zeker. Minstens zo absurd als de behandeling die vele KOPP’ers ten deel valt in de maatschappij, bij de bedrijfsarts of bij het UWV. 

Opgroeien bij één of twee ouders met psychische en/of verslavingsproblematiek is bijna per definitie traumatiserend. Alleen als de problemen thuis volledig bespreekbaar zijn en er stabiele ándere opvang en hechtingsmogelijkheden voor de kinderen aanwezig zijn, hebben die kans om er zonder trauma vanaf te komen. Veel mensen denken bij trauma alleen aan ongelukken of gewelddadige situaties waarbij iemand in levensgevaar komt. Eenmalige gebeurtenissen die zo gruwelijk zijn dat ze een blijvend stempel zetten op iemands leven. Zulke trauma’s hebben veel KOPP’ers óók, bijvoorbeeld van de dag waarop mama zich doodsbang in de badkamer moest verschansen met de kinderen omdat papa in zijn psychose met een mes liep te zwaaien. Of van de dag dat ze erbij stonden toen mama met geweld het huis uit gesleurd werd door de politie voor een gedwongen opname. Of van de ochtend waarop ze mama vonden na een – al dan niet geslaagde – zelfmoordpoging. Ik hanteer even de botte bijl, dan is het maar duidelijk. 

En wat denk je van wat er voorafgegaan is aan deze psychose of zelfmoordpoging? En wat erna komt? Geen rozengeur en maneschijn. Psychische problematiek komt meestal niet uit de lucht vallen en als zich eenmaal een crisis heeft voorgedaan, blijft het gezin in de ban van de angst voor herhaling. Vaak gaat er een lange, soms jarenlange periode van oplopende stress, onderhuidse paniek, ruzie en net-bezworen-crises aan vooraf. Dat betekent dat de kinderen opgroeien in angst en stress. Dat is niet hetzelfde als een aantal jaren van je volwassen leven angst en stress doormaken als je een stabiele ondergrond hebt. Nee, opgroeien in angst en stress betekent dat je grondhouding er één van alertheid zal zijn. Van voortdurend in de freeze-fight-flight-stand staan. Levenslang, althans zolang je niks aan traumaverwerking doet. Dat kost bakken energie, vandaar dat mensen met trauma vooral vermoeidheidsklachten hebben. Let wel, dit verschijnsel doet zich ook voor als het vroeger (steeds) net niét tot de bovengenoemde dramatische ontknopingen kwam. Een jarenlang hoog angst- en stresslevel bij opgroeiende kinderen betekent chronische traumatisering. De dramatische ontknopingen die daar voor menig KOPP’er nog bovenop komen, voegen daar nog wat puntige trauma’s aan toe. 

Carolien Roodvoets omschrijft in haar boek Niemandskinderen KOPP’ers als kinderen die opgroeien in privé-oorlogsgebied. Een heel adequate omschrijving! Wie in een oorlog opgroeit, zal de wereld leren kennen als een onveilige plek waarin hij voortdurend bang en alert moet zijn, vaak één of meer direct levensbedreigende gebeurtenissen meemaken en niet, of slechts gebrekkig de kans krijgen om zich te ontwikkelen op het gebied van – ik noem maar een dwarsstraat – op een adequate manier opkomen voor zijn eigen gevoelens en behoeften. Oorlogskinderen krijgen wél erkenning van de maatschappij. Je kunt een kind wel uit de oorlog halen, maar hoe haal je de oorlog uit een kind? is een bekende frase geworden. Dat oorlog met trauma gepaard gaat, wordt algemeen erkend.

Hoe kan het nou dat KOPP’ers niet in staat zijn om diezelfde erkenning op te eisen? Dat komt onder andere door het feit dat ze gedurende een groot deel van hun leven geen overtuigend verhaal kunnen brengen vanwege – ironisch genoeg – juist de kenmerken van vroegkinderlijk trauma. Zoals daar zijn: dissociatie, ontkennen, wegredeneren, afdekken met een verslaving of dwangmatig gedrag. Net als bij de doof wordende call-center-medewerker hierboven belemmert het ‘ziektebeeld’ de beeldvorming van de (bedrijfs)arts. Zolang deze kinderen nog kind zijn, is het voor hen van levensbelang om de omvang van hun leed juist niet te kunnen overzien. Zodra een KOPP’er volwassen wordt, begint de uitdaging om de puzzel stukje bij beetje te gaan leggen. De meesten van ons doen daar een heel leven over. Als we er überhaupt al aan beginnen. Hoe moet je aan een bedrijfsarts of een UWV overtuigend iets laten zien dat je niet bewust beschikbaar hebt? Hoe moet je gaan stáán voor je trauma als je het vanbinnen uit pure noodzaak nog ontkent? De symptomen van trauma worden helaas nog slecht herkend door de medische wereld. KOPP’ers zullen voor zichzelf moeten gaan opstaan. Misschien helpt deze blog daarbij.

KOPP-blog: Geen zin

IK HEB VANDAAG GEEN KLANTEN,
dus moet het in de komende uren gaan gebeuren: een nieuwe KOPP-blog schrijven. Meestal komen de woorden vanzelf, maar deze keer heb ik geen idee waarover ik moet schrijven. Ik voel me een beetje… leeg. Niks mee te maken. Je moet! brult Superego. Het moet nú gebeuren. Met andere woorden: ‘Schrijven, kreng!’ Erg onvriendelijk. 

Vanochtend toen de wekker ging begon het al. Je moet! Nu! D’r uit! In tijden dat mijn Superego zo kortaangebonden aanwezig is, heb ik geen zin in de dingen. Of is het andersom, is Superego zo kortaangebonden omdat ik geen zin heb? Beide natuurlijk. Het één beïnvloedt het ander, en als ik dat laat gebeuren, kom ik zó in een neerwaartse spiraal die uitmondt in depressie. Ik noem dit de depressieve spiraal. Deze dynamiek – althans als je hem laat dooretteren – leidt uiteindelijk tot een enorme vermoeidheid, want wát een energie gaat erin zitten zeg! De innerlijke dialoog tussen Superego en het kind, waarbij het kind zich koppig verzet: Nee! Ik doe het niet! maar ondertussen wel volop in de stress zit. En Superego die schuimbekkend woedend wordt omdat het kind niet doet wat hij zegt. Het is een interne machtsstrijd waarbij beide partijen steeds feller van leer trekken. Het is als gasgeven en remmen tegelijk. Dat is niet zo goed voor de auto en het effect ervan is – inderdaad – STILSTAND. Het is ook niet zo goed voor jezelf; feitelijk doe ik mijzelf geweld aan als ik dit laat gebeuren.

Waarom doe ik dit? Hoe komt deze interne machtsstrijd tot stand? De meeste interne dynamiek is een afspiegeling van ons systeem van herkomst. Zo hebben we het namelijk geleerd. Dus als je er als klein kind aan gewend bent geweest om scherpe kritiek te krijgen, in de gaten gehouden en beoordeeld te worden, al je handelingen geordend te zien in ‘lief’ of ‘stout’, goed of slecht, dan doe je dat als je volwassen bent ook bij jezelf. Hoe je jezelf beoordeelt en bekritiseert, krijgt vorm in de ‘persoon’ van Superego. Hoe meer energie daarop zit in het heden, hoe groter de stress in je kindertijd geweest is en/of hoe jonger je was toen die stress zich voordeed. In mijn systeem van herkomst was er rondom de gekte van mijn moeder, in de eerste drie jaren van mijn leven, veel stress. Deze situatie eindigde met haar gedwongen opname. Mijn vader zag het gezin instorten en zichzelf alleen overblijven met drie kleine kinderen. Niet zo vreemd dat hij in die tijd kortaangebonden was en staccato zijn bevelen gaf. Hij was in paniek. Voor wat wij er als kinderen aan beleefden, was helemaal geen ruimte: het was immers een crisissituatie. 

De betekenis van mijn innerlijke machtsstrijd als ik ’s ochtends niet uit mijn bed wil komen, grijpt terug op deze situatie, die mijn leven behoorlijk getekend heeft. De onderliggende boodschap van mijn Superego is: als je niet doet wat ik zeg, word ik heel erg bang dat de boel instort. In feite vertolkt hij de stem van mijn vader, met de intensiteit van de paniek van toen, en – niet onbelangrijk – zoals die werd begrepen door het kleine meisje dat ik toen was. De feitelijke boodschap van het innerlijke kind is: ik kan mij niet aanpassen en doen wat jij zegt. Ik verlies hier mijn moeder. Tóen moest ik wel, ik had geen keus. Ik heb mij aangepast en geschikt en mijn gevoelens netjes onderdrukt, zoals de meeste KOPP’ers dat noodgedwongen doen om te overleven. In de puberteit (als de omstandigheden dat mogelijk maken) of ergens in de volwassenheid wordt het innerlijke kind soms eindelijk aanpassingsmoe en gaat in de rebellie. Mijn innerlijke kind dat koppig zegt: Nee! Dat doe ik niet! rebelleert tegen al die eerdere aanpassing en steekt daar behoorlijk wat energie in.

Dus daar lag ik dan vanochtend met mijn interne strijd. Geen beweging in te krijgen. Maar ik weet inmiddels: de depressieve spiraal is een doodlopende weg, daar ben ik al geweest. In bed blijven is dus geen optie. 

Wat er nodig is, is dat ik Superego bevestig (Ik hoor je, ik weet hoe bang je bent) zodat die even zijn mond houdt. Daarna nodig ik het kind uit om zich uit te spreken. ‘Waarom wil je je bed niet uit?’ GEEN ZIN! IK HEB GEEN ZIN! IK WIL NIET! Alleen om daaraan gewoon hardop ruimte te geven, lucht al zodanig op dat ik rechtop in bed zit. Zeg ‘ja’ tegen je ‘nee’. En overdrijf het vooral flink. Dus ik kom mopperend uit bed, met kinderlijke teksten: IK VIND HET ALLEMAAL SUPERSTOM! Ik sla een paar keer op mijn kussen en stampvoet eens goed. Hèhè, dat lucht op. De dag kan beginnen.

KOPP-blog: het verband tussen hechting en relaties

TOEN IK ZEVENTIEN WAS, (IK WOONDE AL OP MEZELF)
had ik Mustafa. Ik noemde hem ‘mijn vriend’, maar eigenlijk was hij meer een drink- en seksmaatje. Eén keer in de week gingen we uit. Niet dat ik daar iets aan vond, ik vond (en vind) het alleen maar doodvermoeiend om urenlang aan een bar te hangen. Maar ja, mijn beloning kwam achteraf. Ik mocht in zijn armen slapen. De seks vond ik best leuk, maar minder interessant; wat ik van hem wilde, was nabijheid. Intimiteit. En de werkelijke intimiteit begon pas in de ochtend, als we – min of meer helder – wakker werden. Hij rende dan ook iedere week als een idioot de deur uit zonder ontbijt. Intimiteit, stel je voor! Hij zou zich eens met mij gaan verbinden! Hoe harder hij wegrende, hoe meer ik aan hem ging trekken – jager en haas. Op een dag vond ik een ander en was Mustafa weer vrij, wat nou ook weer niet zijn bedoeling was. En die ander kon zich natuurlijk evenmin met mij verbinden. Die rende net zo snel mijn leven weer uit als hij erin gekomen was.

Ken je dat, dat je het verdomd altijd zo treft dat je een liefdespartner uitzoekt die zich aan je vastklampt als je iemand bent die het gauw benauwd krijgt, of juist één die zich niet echt met je verbindt als je iemand bent die een grote behoefte heeft aan nabijheid? Dat geeft een buitengewoon pijnlijke interactie. En het gebeurt steeds weer, of de duvel ermee speelt. Dit verschijnsel kom je in vriendschappen of in relaties met collega’s overigens net zo hard tegen.

Hoe je met liefde en intimiteit omgaat, heeft alles te maken met je hechtingsstijl. De manier waarop je je ooit aan je ouder(s) hebt kunnen hechten. En die hechtingsstijl is bij KOPP’ers nogal eens onveilig. Mijn moeder – met schizofrenie – was in mijn eerste jaren onbegrijpelijk en daarmee onbetrouwbaar in haar gedrag naar mij toe. Ze vergat regelmatig dat ik bestond. Slechts af en toe was ze tegelijkertijd fysiek aanwezig en emotioneel in contact, net genoeg om de hoop in mij levend te houden dat ze, als ik maar genoeg mijn best deed, ooit voor me zou zorgen. Mijn vader had wel wat anders aan zijn hoofd dan de emotionele noden van drie kleine kinderen. Mijn moeder werd opgenomen en hij moest ons onderbrengen; voedsel en onderdak gingen vóór. Hij was gestrest, kortaf en snauwerig. Logisch dus dat ik een angstige hechtingsstijl ontwikkelde, en dat ik me tijdens mijn moeders opname letterlijk aan mijn grootmoeders rok vastklampte zodat mijn knuistje er wit van zag.

Zó heb ik geleerd dat de hazen lopen. Degene met wie ik een intieme band probeer te onderhouden, is ongrijpbaar en zal vertrekken. In de tijd dat ik in mijn volwassen leven met dit thema worstelde, trof ik dus partners die in dat scenario pasten. En daar heb ik – uiteindelijk – veel van geleerd. Vooral dat ik moest rouwen om dat wat ik niet gekregen had, en dat vervolgens aan mezelf gaan geven.

Nou, dat ben ik gaan doen. Super-autonoom ben ik geworden, ik had echt niemand nodig. Geen partner, en ook geen vrienden. Je voelt hem al aankomen. Eerst was dat prettig, bevrijdend en prima, maar daarna begon er langzaam toch iets te knagen. Intimiteit met jezelf is van grote waarde, maar intimiteit met anderen óók. Het gaat om het evenwicht tussen ik-gevoel en wij-gevoel, tussen ik-tijd en wij-tijd. Nogmaals, of het nou een liefdesrelatie of een vriendschap betreft.

Inmiddels herken ik ook een andere hechtingsstijl bij mezelf. Ik voel nu angst om de verbinding werkelijk aan te gaan. De vermijdende hechtingsstijl. In mijn huidige relatie was ik tot voor kort net een vluchtende Mustafa en mijn partner is jarenlang de jager geweest. Nu proberen we beiden stil te staan, uit te hijgen en ‘gewoon’ over onze angst te communiceren. En dat valt verdomd nog niet mee.

Waar gaat mijn angst dan over? Niet over te weinig aandacht, maar teveel. Niet over verwaarloosd worden, maar ‘opgegeten’. Over het bezit zijn van de ander, als het ware bezeten te worden door de ander. Met andere woorden, dat er van mij niks overblijft wanneer ik intimiteit toesta. Waar dat vandaan komt, is moeilijker te achterhalen – ik was waarschijnlijk erg jong – maar mijn lichaam weet het nog precies. Het zegt soms: Doe niet zo klef! En: Geef me de ruimte! en vooral heel sterk:Ik ga de gaten in jouw leven niet opvullen! Ik ben niet verantwoordelijk voor jouw geluk!
Waar dit precies vandaan komt, zal ik misschien nooit weten. Heeft mijn moeder, op de momenten dat ze wél aan mij dacht, zich soms aan mij vastgeklampt? Heeft mijn vader mijn troost gezocht toen mijn moeder pas opgenomen was? Ik voel in elk geval een fysieke afkeer op het moment dat ik – ook maar in de verte – meen te bespeuren dat iemand teveel van mijn nabijheid wil.

Of je hem nou kunt verklaren of niet, het is heel helpend om je bewust te zijn van je eigen hechtingsstijl. Als je van jezelf weet dat je veel ruimte nodig hebt omdat je je anders al gauw verstikt voelt, dan kun je dat tegen je partner of vriend(in) zeggen. Zodat die weet dat dat niet aan hem/haar ligt, maar gewoon jouw gebruiksaanwijzing is. En als je je gauw onzeker voelt in de vriendschap of relatie, en bang bent om verlaten te worden, dan helpt het om dat kenbaar te maken als iets van jou. Je zult in je relaties zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen voor je eigen hechtingsstijl. Je partner of vriend(in) is daar zéker niet verantwoordelijk voor, al voelt dat vaak wel zo. Als beide personen die verantwoordelijkheid zelf nemen, is er een heel grote hindernis genomen om uit de pijnlijke patronen van jager en haas los te komen.

KOPP-blog: de kracht van woede

MIJN MOEDER HAD SCHIZOFRENIE.
Een diagnose die toentertijd (begin jaren zeventig) veel gesteld werd, maar nu omstreden is. In het geval van mijn moeder betekende het: de grip op de werkelijkheid regelmatig kwijt zijn en de omgeving als bedreigend ervaren. Hoe ingrijpend het is om een moeder te hebben met schizofrenie, zullen de meeste mensen nooit kunnen begrijpen, al zouden ze het willen. Als ik een tipje van de sluier oplicht, zeggen ze al gauw: Ach ja, het blijft toch je moeder. Waarmee de kous dan het liefst af is. En dat is heel begrijpelijk, want het is nogal verontrustend om je te moeten voorstellen wat de betekenis is van zo’n gezinssituatie. Als je iemand treft die heel empathisch is en bovendien onbevooroordeeld, kun je een heel eind komen. Maar zelfs zulke mensen, die overigens vrij weinig in het wild voorkomen, kunnen nooit helemaal invoelen waar wij KOPP’ers vandaan komen als ze daar zelf niet geweest zijn.
Dat is niet erg. Zo is het nou eenmaal; mensen kunnen alleen ten volle de emotionele impact bevatten van gebeurtenissen die ze zelf ook ervaren hebben. (Terzijde: voel je je eenzaam en onbegrepen als KOPP’er? Zoek lotgenotencontact!)

Wat wel schadelijk is, is dat mensen al gauw een oordeel hebben over wat je zou moeten voelen of ervaren. Niet alleen anderen hebben dat over KOPP’ers; KOPP’ers hebben dat ook over anderen, over elkaar en vooral ook over zichzelf. We zijn net mensen, namelijk. Eén van de meest voorkomende dilemma’s bij KOPP’ers is: Wat moet ik met mijn boosheid op mijn vader of moeder, dat mág toch niet? Hij/zij kon het toch niet helpen? Werp de vraag op in een willekeurig gezelschap, en iedereen zal over elkaar heen buitelen in de dramadriehoek.* De één vindt dat je het niet kunt maken om boos te zijn, je ouder heeft immers ook niet om die psychische problematiek gevraagd. De ander vindt dat je ouder zielig is en dat je hem of haar zou moeten helpen. De volgende vindt dat je groot gelijk hebt dat je boos bent, jij had toch récht op een gelukkige, beschermde jeugd. Hetzelfde geldt voor de (eveneens veel onder KOPP’ers levende) vraag: Moet ik het contact met mijn ouder(s) verbreken en mijn eigen leven leven, of moet ik ermee leven en me blijven aanpassen? Ook daarover heeft de buitenwereld, en vaak ook de mede-KOPP’er, misschien zelfs je broer of zus, een stellige mening. Variërend van: als je dat doet, ben je een slechte dochter tot blijf zo ver mogelijk bij die giftige mens(en) vandaan.

Het vervelende van al deze stellige meningen is dat we erdoor in de war raken. We denken vaak dat wie het hardst roept (ook in onszelf), wel gelijk zal hebben. Of we houden ons vast aan het doen van het omgekeerde. Als iedereen A zegt, doe ik B. (Daar heb ik zelf nogal een handje van!) Maar dat is allemaal niet de oplossing. Oordelen en stellige meningen zijn over het algemeen geen goede leidraad omdat het geen volwassen overwegingen zijn. Het is namelijk helemaal niet relevant wat iedereen ervan vindt. Als ik koorts krijg, buitelen de mensen toch ook niet over elkaar heen om mij te vertellen dat dat wel of niet waar is, of dat ik die wel of niet zou moeten voelen? Die koorts IS er eenvoudig.
Weet je wat het mooie van koorts is? Je kunt hem vaststellen met een thermometer. Was dat maar hetzelfde met onze basisemoties, boos, bang, blij, bedroefd. ‘Tja mevrouwtje, het probleem is dat u momenteel 80% woede ervaart.’ Ja maar mijn moeder kon het toch ook niet helpen?? ‘Niks mee te maken! 80% woede, doe er wat mee, anders vreet het u op!’ Of andersom: ‘Maar meneer, u heeft nog een enorme stapel verdriet voor de deur liggen!’ Verdriet? Welnee, ik haat mijn ouders voor eeuwig! ‘Kijk naar de thermometer, meneer eigenwijs, en doe uw huiswerk!’

Als we emotioneel goed voor onszelf willen zorgen, zullen we – bij gebrek aan een arts met een alwetende thermometer – zelf moeten leren ervaren welke emotie er (nog meer) in ons aanwezig is. Naar een willekeurige ander, hoe hard die ook schreeuwt, hoeven we ook niet te luisteren. Wat weet die er nou van? Vervolgens moeten we leren om de emotie die zich aandient serieus te nemen. Wie met 40 graden koorts aan een wielerwedstrijd gaat meedoen, valt van zijn fiets. Wie met de pest in haar lijf tienmaal per dag haar moeder te woord staat, wordt depressief.

Je woede is terecht.
Als een vrouw met psychoses een baby krijgt, wordt het nogal moeilijk hechten voor het kind. Als de moeder van een vijfjarige haar kind niks toestaat omdat ze zelf angstig is, zal het kind slechts moeizaam nieuwe vaardigheden leren. Als de moeder van een tienjarige door de omgeving meewarig wordt bekeken, wordt het sociale functioneren van het kind belemmerd. Het zal zich schamen om klasgenootjes mee naar huis te nemen. Als de moeder van een vijftienjarige haar kind nodig heeft om zelf overeind te blijven, kan de puber zich niet ontplooien. Dit kind zal, zodra het volwassen is, zichzelf op allerlei gebieden nog moeten ontwikkelen aangezien daar geen ruimte voor was toen het klein was. En dat voelt ongelofelijk oneerlijk. Je leeftijdgenoten zijn je ver vooruit. Als jij zo’n kind was, moet je die woede dus erkennen. Hem een poosje laten razen. Dat betekent niet dat je je ouder in elkaar moet slaan, liever niet. Gebruik een kussen, een boksbal, scheur kartonnen dozen. En schreeuw. Geef je woede een plek, op een dag komt er ruimte voor de andere kant van het emotionele spectrum.

En je moet óók relativeren.
Waarom? Omdat het leven nou eenmaal klappen uitdeelt. Al willen we het nog zo graag geloven, het is niet zo dat we recht hebben op een makkelijk leven. Onze ouder(s) hadden dat ook niet. Ook zij zijn een product van hun achtergrond, precies zoals wij dat zijn. Het is erg verdrietig om je te realiseren dat wij mensen in onze onmacht soms hele domme dingen doen, waarmee we elkaar – en ellendig genoeg ook onze kinderen – ernstig kunnen beschadigen.

Aan de andere kant krijgt bijna iedereen bij de geboorte een portie levenskracht mee. Deze manifesteert zich als WOEDE, de kracht waarmee we ons leven vormgeven. Gebruik hem, hij stelt je in staat om vele beschadigingen te boven te komen. Vooral als je ondertussen zicht houdt op de realiteit: dat het leven nou eenmaal klappen uitdeelt. Zo kun je je woede transformeren – eerst is hij gericht tegen je onvolmaakte ouder, daarna wend je hem aan om te gaan staan en je eigen leven te gaan leiden. Go for it!

 

*Dramadriehoek: een model van de Transactionele Analyse. Veel niet-functionele, herhalende communicatie vindt plaats vanuit de dramadriehoek, waarin er drie rollen zijn: slachtoffer, redder en aanklager.

KOPP-blog: brussen

HOE IS JOUW VERHOUDING MET JE EVENTUELE BROERS EN ZUSSEN?
Dikke kans dat je de nodige strubbelingen ervaart. Misschien verblijft er zelfs een  brus van je in een inrichting, als KOPP lopen we daarop immers een verhoogd risico. De verhoudingen tussen de volwassen geworden KOPP-brussen is vaak moeizaam. En dat is niet zo gek.

Van onze ouders weten we het wel: omdat we ooit kwetsbaar en afhankelijk van hen waren, is wat we aan hen beleefd hebben bepalend geworden voor de manier waarop we het leven begrijpen en er emotioneel op reageren. Dat geldt voor iedereen, niet alleen voor KOPP’ers.
Weliswaar hebben KOPP’ers er meer last van in hun volwassen leven, zij hebben immers meer ongezonde dingen aan hun ouders beleefd. Als er íets is dat triggers opwekt in het volwassen leven, is het wel de omgang met de ouder(s). Je kunt nog zo goed leren omgaan met je KOPP-achtergrond en bijvoorbeeld tegenwoordig heel wel in staat zijn om je baas een veeg uit de pan te geven (of voor degenen bij wie de uitdaging andersom ligt: heel wel in staat zijn om je beleefd te gedragen naar je baas), eenmaal in de energie van het ouderlijk huis schiet je onverbiddelijk terug in je oude rol. Het is ‘universitair niveau’ om daarmee te leren omgaan en menig KOPP’er doet er zijn/haar hele leven over. Ik ook. Ik heb vele levenslessen moeten leren om stukje bij beetje mijn oude beelden over mijn ouders bij te stellen en om de bijbehorende achterstallige emoties een plek te geven.

De ouder-kindrelatie, en ook de relatie tussen leidinggevende en medewerker, zijn verticale relaties. Vandaar dat zich bij ons KOPP’ers zo vaak triggers met onze leidinggevenden voordoen. Wat we meemaken in die interactie, verwijst dan meestal direct naar de interactie met de ouders. Als we triggers ervaren met onze collega’s, verwijst dat meestal direct naar onze relatie met brussen, voor zover we die hadden, uiteraard. Deze triggers in de horizontale relatie zijn doorgaans minder beladen, behalve wanneer we met onze brus in een machtsverhouding stonden.

Wat in KOPP-gezinnen namelijk veel vaker voorkomt dan in het algemeen, is dat broers en zussen noodgedwongen de vader- of moederrol op zich nemen. Of dat ze uit frustratie op een andere manier macht gaan inzetten naar een brus. De relatie tussen broers en zussen is natuurlijkerwijs horizontaal, gelijkwaardig. Net als de relatie tussen collega’s, buren of vrienden. Maar als grote broer of zus noodgedwongen de verantwoordelijkheid voor het gezin op zich neemt, of als hij of zij misbruik maakt van de kwetsbaarheid of de afhankelijkheid van een brus en daarin niet gecorrigeerd wordt, komen de kinderen in een verticale positie ten opzichte van elkaar. Er ontstaat dan een relatie waarin macht een rol speelt, terwijl hij gelijkwaardig zou moeten zijn en dat misschien voor een deel óók is. Op z’n minst geeft dat verwarring tussen horizontale en verticale relaties.

Voorbeeldje. Je zus hield jou altijd uit de wind als het thuis hommeles was omdat jij klein en kwetsbaar was. Trigger: in het hier en nu kun je enorm woest worden als je door je collega’s ergens buiten gehouden wordt. Om die trigger in een horizontale relatie te begrijpen, moet je dus vooral naar je zus kijken.
Bovendien zal de relatie met deze zus, ook nu jullie volwassen zijn, misschien moeizaam verlopen. Jij vindt haar een vervelende betweter. Je irriteert je dood aan haar – al dan niet vermeende – betutteling, je krijgt het er stikbenauwd van. Ook dat is een trigger. Deze verwijst naar jullie niet goed functionerende ouders. Het was ooit de overlevingsstrategie van je zus om voor jou te zorgen en dat heeft ze misschien nog niet volledig afgeleerd.

En stel, jij bént deze zus; degene die de anderen altijd uit de wind hield. Dan zal het buitengewoon pijnlijk zijn wanneer je brussen je vragen waarom je nou toch na al die jaren nog over je KOPP-verleden zeurt. Zij hebben immers nergens last van. Herkenbaar? Dit geeft een diep gevoel van miskenning, je hebt immers veel energie in hun welzijn gestoken ten koste van jezelf. Als je hier in je wrok blijft hangen, kan die een leven lang duren.

Ook pijnlijk: een heel normaal verschijnsel wanneer er een nieuwe baby geboren wordt, is een jaloerse peuter. Voor ouders die goed in hun vel zitten is het soms al moeilijk om deze jaloerse razernij (op peuterleeftijd is de menselijke soort op z’n gewelddadigst!) goed te begeleiden. In een KOPP-gezin kan dit verschijnsel een rampzalige lading krijgen. Stel je een twee- à driejarige voor die een onveilige, emotioneel afwezige moeder heeft. Zo’n kindje voelt zich toch al verdrietig, woedend en machteloos en kan die gevoelens nog niet reguleren, dat moeten de ouders nog voor hem doen. En dan komt er een broertje of zusje bij dat hem de laatste restjes aandacht afsnoept. Er zijn genoeg peuters die hun frustratie afreageren op de kwetsbare baby. Ouders met psychische problemen zullen hier meestal niet goed op reageren. Dus het jaloerse kind krijgt van onder uit de zak. Daar worden de verhoudingen niet beter van, uiteraard. Of de ouders zien het niet gebeuren, of ze zien het wel maar grijpen niet in. Als zo’n thema lang genoeg doorettert, zorgt het voor veel pijnlijk script. De baby van toen zal zich misschien zijn leven lang ten diepste ongewenst blijven voelen, of ‘degene die alles verpest’, of de overtuiging hebben dat hij iets goed te maken heeft.

En vergis je niet: ook die peuter, en de brus die later zijn macht misbruikt, is slachtoffer. Hij is immers ook een KOPP’er. Het kan zijn overlevingsstrategie worden om zijn gevoelens af te reageren op de jongere brus. De ervaring van de jaloerse peuter is immers dat hij ieder moment aan de kant gezet kan worden voor iemand die leuker en/of kwetsbaarder is; dat kan hem zijn leven lang het gevoel geven dat hij nog iets van de wereld tegoed heeft. Of hij is er ten diepste van overtuigd dat hij een slecht mens is en anderen kwaad doet, ook al is daar in de volwassenheid misschien helemaal geen sprake meer van. De waarheid is dat hij toen niet geleerd heeft om zijn gevoelens te reguleren.

Een kind dat zijn macht misbruikt, is onschuldig. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders om zijn gedrag in goede banen te leiden. Maar in het hier en nu zal de relatie met deze brus waarschijnlijk zeer ongemakkelijk zijn. De brussen voelen, zoals dat vaak het geval is in KOPP-gezinnen, een diepe en verwarde lading naar elkaar. Maar in welke positie je ook staat: jullie zijn allemaal slachtoffer. Je woede jegens je brus zal je nergens brengen. Het enige dat helpt is onder ogen te zien dat je ouders niet goed genoeg functioneerden. Als je daarover kunt rouwen, bevrijd je je brus, en daarmee ook jezelf, van de last.

 

KOPP-blog: braakneigingen

OMDAT IK ALS KIND VEEL HEB GELEDEN ONDER GESNAUW,
oordelen en afkeuring, durfde ik op zekere dag bijna niet meer te bewegen. En dus ook niet meer te leren, me te ontwikkelen. Ik hunkerde naar een lieve moeder die altijd van me zou houden, die altijd achter me zou staan. Ik maakte me afhankelijk van de goedkeuring van anderen, want helaas had ik die lieve moeder niet. In mijn volwassen leven moest ik eerst dat voldongen feit accepteren en vervolgens leren om lief voor mezelf te zijn. En vooral om mezelf permissies te geven, want die had ik nodig om me alsnog te kunnen ontwikkelen. Ja, je mag fouten maken. Ja, je mag op je bek gaan. Ja, je mag met je mond vol tanden staan, een flater slaan, een blunder maken, en nog steeds ben je een waardevol mens. Je mag opstaan, je hoofd optillen, jezelf en de ander in de ogen kijken en weer doorgaan. Ja, je mag uit je slof schieten, woedend worden, andere mensen laten schrikken – je kunt altijd weer ‘sorry’ zeggen.
Dit was de soort ondersteuning die ik nodig had. Permissie om te doen, te voelen, te zijn. Goedkeuring, de energie van de harmonie. Het ‘samen’. Die ik zo nodig had omdat ik die andere kant zo goed kende: de energie van de afkeuring, van het onderscheid, het ‘apart’.
Omdat ik door mijn eigen venster naar de wereld keek, zoals we dat allemaal doen, dacht ik dat iedereen behoefte had aan datzelfde. Ik dacht dat ‘samen’ beter was dan ‘apart’. Ik kon me niet voorstellen dat een mens daar een teveel van zou kunnen krijgen.

Wel dus, zo ondervond ik later in enkele te kleffe relaties. En leerde ik van mijn coachklanten. Het ervaren van je eigen autonome ‘ik’, helemaal los van een ander, is een essentiële vaardigheid om emotioneel op eigen benen te staan. Er zijn ook vele KOPP’ers die in plaats van stelselmatig afgebrand, juist gesmoord werden in ‘liefde’, in ‘samen’. En dat kan heel ver gaan, zo ver dat je als kind niet mag voelen wat je zelf voelt, maar moet voelen wat je ouder voelt. Zoals in een symbiose. Een gezonde symbiose is de toestand waarin moeder en baby dezelfde belevingswereld delen. Ze zijn nog emotioneel, en in het eerste stadium zelfs fysiek, één. Voor een gezonde ontwikkeling moet dat gevoel van eenheid gaandeweg plaats gaan maken voor een nieuwe ervaring, het gevoel van eigenheid, autonomie. Als de moeder (al zijn er zeker ook vaders die deze rol nemen) zelf een groot verlangen naar symbiose heeft, bijvoorbeeld omdat ze zelf nooit een liefdevolle moeder gehad heeft, dan kan het zijn dat ze haar kind niet laat gaan. De eens gezonde symbiose wordt dan vanzelf ongezond. Dit kan zich heel letterlijk en fysiek voordoen; de moeder zit bijvoorbeeld voortdurend aan het kind te plukken, gedraagt zich alsof het kinderlichaam háár lichaam is. Een kind dat zich deze grensoverschrijding moet laten welgevallen, zal waarschijnlijk een afkeer ontwikkelen van aanraking.
Als meest extreme uiting van ongezonde symbiose beschouw ik het Syndroom van Münchhausen by Proxy, waarbij vader/moeder het kind fysiek schade toebrengt om zelf aandacht te krijgen van omstanders en artsen.
Een teveel aan symbiose kan ook betekenen dat het kind geen autonome gevoelens worden toegestaan. Het kind dat dit overkomt, zal zich niet gezien en gekend weten. Bovendien twijfelt het als volwassene aan de eigen beleving en weet het vaak niet wat het voelt; het heeft immers steeds te horen gekregen dat zijn autonome gevoelens niet klopten of onacceptabel waren. Waarmee de geschiedenis zich onherroepelijk herhaalt, want wie zich niet kenbaar kan maken, wordt wederom niet gekend.
Gesmoord worden in ‘liefde’ (lees: verplicht SAMEN) is een erg ingrijpende, chronische grensoverschrijding en de gevolgen voor de KOPP’er die dit overkomt, zijn groot. De betreffende ouder zal vaak geen diagnose hebben, wat het voor de KOPP’er in kwestie nog gemakkelijker maakt om de eigen beleving (uit angst en onbewust) te ontkennen en bagatelliseren.

Als je van daaruit toch de stap maakt naar lotgenotencontact of groepshulpverlening, merk je tot je schrik dat jij niet – zoals zoveel anderen – de behoefte hebt aan een aai over je bol en dat je over je nek gaat bij de gedachte dat je ‘je kind op schoot moet nemen’. Maar er wordt vaak automatisch vanuit gegaan dat ook jij meer ‘samen’ nodig hebt. En aangezien je toch al de neiging hebt om je eigen gevoelens te wantrouwen, denk je nog maar een keer dat jij raar bent en dat je gevoelens niet kloppen. Dat past prima in je verhaal. En zo word je eenzamer en eenzamer.

Maar er bestaat niet zoiets als ‘gevoelens die niet kloppen’. Je voelt de dingen die je voelt, en dat is nooit voor niks. Natuurlijk kunnen we wel verkeerde conclusies koppelen aan onze gevoelens, maar de gevoelens zelf kloppen altijd. Dus als je braakneigingen, kromme tenen of jeuk krijgt in bepaalde situaties, neem dat dan vooral serieus. Het kan zijn dat je op die manier iets vermijdt dat je te spannend vindt, maar het is evengoed mogelijk dat je in het verleden ergens een overdosis van gehad hebt. In dat geval doe je er goed aan om die grens van je lichaam te respecteren en er in het vervolg rekening mee te houden.
Dus wil je niet zoenen met nieuwjaar, niet high-fiven met je collega’s en niet knuffelen met je vrienden, wees dan eigenwijs en hou lekker je poot stijf!

KOPP-blog: leiderschap

HOERA, WE ZIJN IN BLIJDE VERWACHTING!
Volgende week komt Bobby, onze puppy. Het is de tweede keer dat ik voor de taak sta om een hondje op te voeden, en ik weet zeker dat ik het er nu beter vanaf ga brengen dan de eerste keer. Ik weet ook zeker dat dat een mooi voornemen is dat nog niet zal meevallen. Het is onmogelijk om het allemaal goed te doen namelijk.

Consequent leidinggeven en duidelijk zijn, jawel. Het klinkt zo gemakkelijk. Lekker als je, zoals ik, nooit geleerd hebt om je eigen wil te volgen. De ánder volgen, dat is wat ik geleerd heb. En vele KOPP’ers met mij. Alle antennes op scherp om de signalen van de ander op te vangen, wat heeft hij / zij nodig? En ook letterlijk volgen: ík hoefde nergens naartoe, wat ik wilde, had in die stressvolle omstandigheden helemaal geen prioriteit. Ik wist niet eens meer dat ik ooit een wil had. Maar de anderen wel, dus ik volgde. Zie je het al voor je met die hond? De pup gaat waar hij gaan wil, en ik loop er aan de lijn achteraan. De poep op te ruimen.

Ja, volgen en zorgen, daar was ik goed in. Niet alleen met de vorige pup, maar ook met mijn kind (nu 17). Als je als baas je hond verpest, soit. Het is onhandig en irritant, maar er is mee te leven. Met je kind is dat echt een ander verhaal. Zeker als je KOPP bent, want je hebt ondervonden hoe je als kind kan lijden onder het regime van de ouders en dat zal jou toch zeker nooit overkomen. Dus de lat ligt hoog! Maar ja, zodra je eigen kind in de puberteit komt, krijg je het keihard om je oren, althans, gelukkig voelt mijn puber zich daarvoor veilig genoeg. Hij voegt mij doodleuk toe: Het is jouw schuld dat ik niks kan (we hebben het hier over een sport). Je had me moeten dwingen toen ik een kind was. Nu is het te laat.
Au! Niet dat ik me nog steeds laat koeioneren door mijn zoon, hoor. Wel toen hij een snoezig peutertje was, en dat is erg genoeg. Gelukkig heb ik in die zeventien jaren wel iets geleerd over leiderschap; hij mag nu zijn eigen verantwoordelijkheid nemen. Maar in de eerste helft van zijn leven ben ik daarin schromelijk tekortgeschoten, en hij is uitstekend in staat om mij daar fijntjes op te wijzen. De pijn die dat doet, zal ik moeten dragen.

We hebben het hier over leiderschap. Over je hond, over je kind en/of over jezelf. De principes zijn hetzelfde. Er zijn twee kwaliteiten in het geding. De ene is grenzen en eisen stellen en de andere is zorgen en ondersteunen. Het evenwicht tussen deze twee is cruciaal. Bij ouders met psychische problemen gaat het hier vaak mis. Die nemen soms (tijdelijk) helemaal geen ouderrol op zich. Mijn moeder deed dat ook niet. Mijn vader zat aan de eisen-kant, maar omdat mijn moeder haar verantwoordelijkheid niet kon nemen, had hij stress en overdreef hij het een beetje: hij was streng en oordelend. Als oudste dochter heb ik het vacuüm opgevuld: ik ging zelf de kwaliteit zorgen en ondersteunen brengen. Parentificatie. En om de boel met mijn vader in evenwicht te houden, overdreef ik dat ook een beetje. Alle antennes naar buiten toe gericht.
Parentificatie kan overigens ook heel goed andersom zijn. Als je ouder(s) tekort kwamen op de kwaliteit grenzen en eisen stellen, heb jij misschien dat vacuüm opgevuld door de boodschappen te doen, de ouderavonden van je broertjes en zusjes bij te wonen en/of de deurwaarders te woord te staan.

Als het gaat om innerlijk leiderschap, groeit bij jonge KOPP’ers vaak de kwaliteit eisen en grenzen stellen tot ongezonde proporties: eisen stellen aan onszelf verwordt tot zelfveroordeling. We deden nooit genoeg ons best, we konden immers niet voorkomen dat mama psychotisch werd of papa depressief. Dus gingen we alleen maar meer zorgen, regelen of verantwoordelijkheid op ons nemen en dat blijven we in onze volwassenheid zo doen. Alsof we zo ons verleden ongedaan zouden kunnen maken. Alsof het daardoor ooit wél zou lukken om alsnog een ideale vader en moeder te krijgen.

Te veel zorgen en ondersteunen kan leiden tot betuttelen en verstikken. Als je daar als kind het slachtoffer van bent, zal je gauw de neiging hebben om zelf het omgekeerde te doen. Mijn zoon kondigt nu al aan dat hij veel strenger wordt voor zijn toekomstige kinderen. Oeps! Ik zie natuurlijk meteen mijn vader voor me. De weegschaal dreigt weer de andere kant op te slaan. Gelukkig gaan we oefenen met een pupje. Bij de vorige pup maakte hij er een potje van, hij vond het vooral leuk om hem zoveel mogelijk op te fokken. Maar nu hij tien jaar ouder en wijzer is, en bovendien de wrange vruchten plukt van zijn eigen te softe opvoeding, is hij gemotiveerd om er iets van te maken. We gaan samen ontzettend het evenwicht zoeken! Arm beestje. Hij heeft geen idee wat hem allemaal boven het schattige kopje hangt.

KOPP-blog: de kapitein op het schip

STEL JE VOOR DAT JE IN HET KRAAIENNEST VAN EEN SCHIP STAAT.
Je weet wel, dat mandje bovenaan de mast voor de uitkijk. Jij hebt het overzicht en je ziet de ijsbergen dichterbij komen. De spanning loopt op. Het onheil nadert langzaam maar zeker en er is niets dat je kunt doen. Je bent lang geleden al gestopt met waarschuwen; er werd toch niet naar je geluisterd. Sterker nog, je kreeg te horen dat je je mond moest houden. Dus nu sta je daar, je keel dichtgeschroefd van het niet-spreken en de ontzetting in je ogen. Je bent ervan overtuigd dat jij verantwoordelijk bent voor deze naderende ramp. Jij voorziet hem immers? Jij doet immers niks om hem te stoppen?

Dit was ongeveer mijn kinderlijke realiteit. Het gezin met een ouder met psychische problemen, het KOPP-schip, vaart met een slecht functionerend kapiteinsteam. Misschien vaart het op ramkoers, misschien gaat alles net goed, maar er zal veel stress aanwezig zijn op een schip waar één van de twee kapiteins niet functioneert. De tweede kapitein, als die al aanwezig is, heeft vaak meer oog voor de problemen van de eerste dan voor de koers van het schip. Ik stond in het kraaiennest, ik zag het schip recht op de ijsberg afgaan en ik wist dat mijn commentaar niet gewaardeerd werd.

Niet ieder bemanningslid heeft dezelfde rol. Misschien was jij als kind op jouw KOPP-schip wel eerste stuurman. Dan werd je geacht de bevelen van de kapitein(s) op te volgen, maar die kwamen niet of ze waren zo chaotisch dat je zelf de regels maar bent gaan bepalen. Of je was de dekknecht die zich dag en nacht afbeulde om alle klusjes te doen, brandjes te blussen, iedereen tevreden te houden (en vooral de kapitein, zodat het niet nóg erger werd). Misschien was je zelfs wel de scheepsnar die zorgde dat iedereen het gevaar kon vergeten omdat jij altijd de aandacht afleidde als het spannend werd. Het kan ook zijn dat jij het ketelbinkie was, degene die alle negativiteit kanaliseerde door zich voortdurend te laten afsnauwen en wegschoppen. Hoe dan ook, waarschijnlijk voelde je je verantwoordelijk voor de koers van het schip. Waarom? Omdat de ene kapitein zijn of haar verantwoordelijkheid niet nam, of kon nemen, en de andere afwezig was, of het gemis van de ene niet kon compenseren. De verantwoordelijkheid bleef in het midden liggen, wachtend op een eigenaar.

Daar blijven we even stilstaan. Stel je eens voor hoe die verantwoordelijkheid daar ligt te schrapen en te knetteren, midden op het dek. Een kwestie van levensbelang. Als niemand hem nú pakt en aan het roer gaat staan, loopt het schip over een kwartier aan de grond. Iedereen voelt de urgentie en wie de schoen past, trekke hem aan…

Een kind in een KOPP-situatie, hoe klein ook, past die schoen. Want als hij (M/V) gelooft dat hij invloed heeft op de situatie, hoeft hij de wanhoop en de ontzetting niet zo te voelen. Dan kan hij zich richten op al die mogelijke oplossingen, en als het allemaal niet lukt, heeft hij niet genoeg zijn best gedaan en moet hij het de volgende keer gewoon nóg beter doen. Het is helpend voor een kind in nood om dat zo te beleven. Dus voelt hij zich verantwoordelijk. Voor álles. Het kind is nog klein, snapt de finesses nog niet. Voor het kind is de realiteit óf: ik hoef niet aan het roer te staan want dat doen papa en mama, óf: niemand staat aan het roer dus ik moet het doen, anders gaan we dood. Tussenopties zijn te ingewikkeld voor dat nog maar amper ontwikkelende breintje.

Eenmaal volwassen geworden heeft dat kind er meestal geen weet meer van hoe die verantwoordelijkheid destijds een niet te negeren appel op hem deed. Maar dat schrapen en knetteren herkent hij, vaak onbewust, op kilometers afstand en het is een Pavlov-reactie geworden. Ligt er ergens een onbeheerde verantwoordelijkheid? De KOPP’er pakt hem. Zoals de alcoholist zijn biertje niet kan laten staan en de gokverslaafde een munt in de automaat móét doen. Is er ergens een schip met een slecht functionerende kapitein? Reken maar dat wij KOPP’ers kans zien om juist dáár aan te monsteren om ons geld te gaan verdienen. Onduidelijke verwachtingen en taakomschrijvingen die voor meer dan één uitleg vatbaar zijn, fulltimebanen die in 18 uur moeten worden gedaan, bazen die voortdurend niet thuis geven: wij KOPP’ers hebben er patent op.

Het werkt twee kanten op. Onbeheerde verantwoordelijkheden trekken ons dus aan als een magneet. En mensen die hun verantwoordelijkheden zelf niet willen nemen, voelen zich om die reden tot ons aangetrokken. Niks menselijks is hen vreemd, namelijk. Heel veel mensen vinden het fijn als een ander de rotklussen opknapt, en waarom zouden ze er niet van profiteren als die ander niet alleen niet klaagt, maar zelfs niets anders lijkt te verwachten?

We kunnen er alleen zelf verandering in brengen als we er last van hebben. Al wat ons te doen staat: het schrapen en knetteren, en de angst die dat met zich meebrengt, verdragen en er contact mee maken. En DAARNA eventueel de verantwoordelijkheid oprapen als we dat werkelijk willen.

Ben je KOPP en herken je je helemaal niet in deze schets?
Dan hoop ik dat je het me vergeeft dat ik generaliseer. Ik doe dat expres, om voor de hand liggende redenen. Natúúrlijk zijn er ook KOPP’ers die op een andere manier omgaan met onbeheerde verantwoordelijkheden. Als je grote zus vroeger de kastanjes voor je uit het vuur haalde, bijvoorbeeld. Dan heb je misschien de boodschap gekregen dat jij het toch allemaal niet kon. Ook van die boodschap kun je knap veel last hebben in je volwassen leven. En zo zijn er nog wel meer voorbeelden te bedenken. Wil je je verhaal kwijt hoe dat voor jou was? Dan nodig ik je uit om lid te worden van het forum!

KOPP-blog stront aan de knikker

VEEL KOPP’ERS ERVAREN EEN INTENS VERLANGEN NAAR RUST. 
Niet al die heftige emoties, niet al die momenten van communicatie op een hoog stressniveau en dan tussendoor instorten van vermoeidheid, we verlangen ernaar om ZEN te zijn. Net als al die mensen die in een ‘gewoon’ gezin zijn opgegroeid.
Ahum! Ik hoor nu een heleboel kelen schrapen, en terecht natuurlijk, want naarmate we meer van de wereld gezien hebben, gaan we dit beeld zoetjesaan wel relativeren. Andere mensen zijn ook bepaald niet altijd ZEN. En opgroeien in een ‘gewoon’ gezin bestaat niet, getuige het cliché Ieder huisje heeft zijn kruisje. Toch hebben veel KOPP’ers de neiging om zich hun leven lang te blijven vergelijken met anderen, die een fortuinlijker start hebben gehad. En bij wie om die reden veel meer rust aanwezig is, of lijkt dat alleen maar zo?

Tot wat voor volwassene zou een kind in het fictieve Perfecte Gezin eigenlijk opgroeien? Waar de ouders altijd aanwezig waren om aan de behoeftes van de kinderen te voldoen? Waar de ouders nooit heftige emoties uitleefden op hun kinderen?
In dat fictieve geval zal er sprake zijn van emotionele stabiliteit, en oh, wat kunnen wij KOPP daarnaar verlangen… totdat er stront aan de knikker is natuurlijk. Want als er in dat Perfecte Gezin stront aan de knikker is, dan 1. is het geen perfect gezin meer en 2. heeft niemand geleerd hoe daarmee om te gaan.

Omdat wij vaak zo worstelen met onze emoties (of die van onze ouders) zouden we graag willen dat we alleen maar stabiel waren. Dat we onze grenzen niet alleen altijd op tijd zouden voelen, maar deze ook nog zonder stemverheffing en zelfverzekerd konden communiceren. Dat we ons vrij zouden voelen om ons eigen ding te doen zonder enig schuldgevoel, en tegelijk toch in welwillend contact konden blijven met de wereld. Perfect in balans. Wij KOPP’ers zijn geneigd om te vergeten dat emoties, ook de heftige, er gewoon bij horen. Dat emotionele reacties functioneel zijn in het leven, omdat er nou eenmaal wel eens stront aan de knikker is. Zonder stront kunnen we niet leven. En ik kan het weten, want op de kinderboerderij waar ik ooit werkte werd eens een geitenlam geboren zonder anus. De rest van het verhaal zal ik je besparen, het eindigde met de dood van het lam. Maar dat terzijde.

Stront zullen we in dit verband vertalen met stress. Dus dat er omstandigheden zijn die heftige emoties oproepen, bijvoorbeeld ziekte, dood of ongeluk. De onvermijdelijke leeuwen en beren op je levenspad. Als we onze heftige emoties niet nodig hadden, zouden ze er ook niet op zitten. Toch zijn wij mensen allemaal uitgevoerd met een emotionele schuif in een range van onderkoeld tot heftig. En dat is dus niet voor niets. Hoe moet je je immers verdedigen tegen een leeuw of een beer als je alleen maar serene rust kent? Hoe zelfverzekerd en zonder stemverheffing jij je grenzen ook communiceert, je wordt even zo vrolijk opgepeuzeld.

Wij mensen hebben dus allemaal meer in ons repertoire dan gelukzalige ontspannenheid. We beschikken gelukkig ook allemaal over standje hysterie, standje agressie, standje passief en standje uit contact. Allemaal functioneel menselijk gedrag, dat onder stressvolle (extreme) omstandigheden ons leven kan redden.
Zo kun je het ook omdraaien. Als je mensen tegenkomt die zich agressief, hysterisch, passief of uit contact gedragen, kun je ervan uitgaan dat ze stress ervaren. Ook al begrijp jij niet waar die stress in hemelsnaam over gaat, want er is in de verste verte geen leeuw of beer te bekennen. Wat is psychische problematiek eigenlijk anders dan heftige emotie die niet gepast lijkt in het hier en nu, waarvan zowel omstanders als de persoon zelf de herkomst niet begrijpen?

Ook bij mezelf neem ik dat verschijnsel regelmatig waar. Onverklaarbare stress die niet veroorzaakt wordt door leeuwen en beren hier en nu en buiten mezelf, maar door iets vanbinnen. Dat verschijnsel heet Oud Zeer, meestal opgeroepen door een trigger. De regelmatige confrontatie daarmee is bepaald niet prettig, maar geeft mij wel veel informatie over mezelf. Als je ernaar leert luisteren, wijst deze stress je de weg naar je onderliggende behoefte. De stront aan de knikker is niet de vijand. Zonder stront is het land niet vruchtbaar en wil er dus niks op groeien. Heb ik ook op de boerderij geleerd.

KOPP-blog: steen des aanstoots

IK HEB SINDS EEN PAAR WEKEN EEN GROTE, LELIJKE
steen in mijn huiskamer staan. Die staat voor het wantrouwen en de negativiteit die diepgeworteld is in mijn familiesysteem. Het feit dat hij daar staat is een grote vooruitgang voor mij – ik draag hem niet meer met me mee. Ik heb hem neergelegd. En in sommige situaties voel ik hem trekken als een magneet. Durf ik erop te vertrouwen dat mijn zoon zich zal ontwikkelen tot een gezonde, autonome man?

Als KOPP’ers weten wij maar al te goed hoe het is om psychiatrie in de familie te hebben. Wij waren immers het kind van de rekening. Hetzelfde bij (mildere) psychische problemen, in mildere mate. Ouder(s) fout of zielig, wij slachtoffer of redder. Wereld helder.

Maar zo eenvoudig is het allemaal niet, zo blijkt als we ons wat gaan ontwikkelen. En vooral als we zelf kinderen krijgen. We zijn nu volwassen en, alhoewel we altijd kind van onze ouders zullen blijven, we kunnen ook door andere vensters gaan kijken dan alleen door het kleine raampje van het kind dat we ooit waren. Het kind-raampje zit laag en geeft geen overzicht, integendeel: het brengt ons terug in een egocentrische positie. Ieder kind is immers het centrum van zijn eigen belevingswereld. Pas als we wat ouder worden, wordt ons blikveld wijder en leren we dat papa en mama ook mensen zijn die hun eigen behoeften hebben. Maar al worden we honderd, we kunnen nog steeds door het kind-raampje kijken en als we dat doen, zijn we weer net zo egocentrisch als we ooit waren. Daar is niets verkeerd aan, we hadden nou eenmaal niet meer brains op dat moment en het kijken door dat raampje brengt ons terug in die staat. Het is daarom wél heel handig als we bij het volwassen worden langzamerhand tot ons laten doordringen dat er ook nog andere vensters zijn om door te kijken.

We groeiden op met ouder(s) met psychische problemen. Als we daar door een volwassen venster naar kijken, gaan we begrijpen dat onze ouders ook maar handelden naar hun eigen vermogen. Ook zij namen hun imperfecte zelf mee in de relatie met ons, hun kinderen. Wat niet wegneemt dat we door hun gedrag beschadigd zijn geraakt en daar heel erg boos over kunnen zijn. Het kind-perspectief (terechte boosheid) verdwijnt niet als je het volwassen perspectief (het was zoals het was) er tegenoverstelt. Een kenmerk van volwassen zijn is namelijk dat verschillende gevoelens naast elkaar kunnen bestaan. Als dat niet kan, kijk je waarschijnlijk door een ander kind-raampje. Er zijn er bij KOPP’ers twee die veel voorkomen: ouder(s) fout en ik zielig of ouder(s) zielig en ik fout (als ik hen niet red).

Psychiatrie (of wat mildere psychische problemen) bij een lid van het gezin is iets dat het hele systeem aangaat. Je kunt om daar zicht op te krijgen nog een ander, hoger venster kiezen. Van daaruit zie je niet alleen het je gezin van herkomst, maar de hele familielijn. Van beide kanten. En dan kun je zien dat de meeste vormen van gekte al generaties lang in het systeem aanwezig zijn. Het gaat lang niet altijd over gediagnostiseerde aandoeningen (al kan dat natuurlijk wel het geval zijn) maar meer over een bepaalde dynamiek die kenmerkend is voor een familie.
Bijvoorbeeld dat er in ieder gezin binnen de familie steeds iemand het zwarte schaap is. In dat geval zijn de volwassenen niet emotioneel autonoom en hebben ze het nodig om iemand als zondebok te gebruiken om hun eigen onvrede te kanaliseren. Een andere, veel voorkomende variant is de relatie tussen de dominante en de aangepaste partner. Hoe verder die twee uit elkaar liggen, hoe meer sprake er zal zijn van psychi(atri)sche problematiek (narcisme, borderline). In deze systemen is er steeds iemand, of meerdere personen, die de verantwoordelijkheid voor hun emotionele leven niet zelf dragen, maar bij een ander neerleggen. Die anderen nemen die taak op zich, aangezien ze dat als normaal beschouwen. Kinderen die in zulke dynamieken opgroeien, krijgen die als blauwdruk (‘zo hoort het’) mee, samen met de rol die ze zelf toebedeeld krijgen in het gezin.

En wat hebben we daaraan, aan dat systemische venster? Als je er zicht op krijgt wat het ongeveer is dat je als KOPP met je meetorst uit het systeem, bijvoorbeeld angst, of wantrouwen, of gekte of agressie, dan kun je daar iets mee. Je kunt het dan buiten jezelf plaatsen en je ertoe verhouden. Bijvoorbeeld door die last te verbeelden met een steen in de huiskamer waarover je regelmatig bijna je nek breekt. Letterlijk en figuurlijk.

Ik heb erg de neiging om mezelf te verliezen in de angst en het gebrek aan vertrouwen als het over de emotionele gezondheid van mijn zoon gaat. Dat is zó bekend voor mij, zo werden wij als kinderen ook bekeken, met dat wantrouwen. De steen trekt. Mijn uitdaging is om die trek te voelen en te verdragen – dit is immers waar ik vandaan kom. Het heeft geen zin om dat te ontkennen. En om dan tóch de andere, onbekende, spannende weg te kiezen, die van het vertrouwen. Het helpt dan om nogmaals door het systeemvenster te kijken en te zoeken naar eigenschappen waarmee ik mij wél graag identificeer. Gelukkig zijn die ook volop aanwezig, niet alleen in mij, maar zeker ook in mijn zoon!